About admin

Journalist, eindredacteur CW, tekstschrijver en blogger, geïnteresseerd in het hoe en waarom van alles, behalve sport. @inekeevink.nl

Staken

Het hele onderwijs staakte. Dat wil zeggen niet ‘al het onderwijzend personeel’, maar onderwijzend personeel van basisschool tot universiteit. En dat was voor de eerste keer. Het water staat het onderwijs tot aan de lippen, maar dat wisten we al.

Niet alleen in het onderwijs, in de hele publieke sector staat het water tot aan de lippen. Dus ook in de zorg, bij de politie, de rechterlijke macht, en zo meer. Maar omdat er steeds per sector gestaakt en gedemonstreerd wordt, lijkt het alsof die sectoren ten opzichte van elkaar moeten gaan bewijzen hoe erg het wel niet is, en dat er juist bij hen ècht meer geld bij moet.

Het resultaat is voorspelbaar. “Wat nou, salarisverhoging,” hoorde ik een werknemer in de zorg zeggen. “Hoeveel denk je dat ik verdien? Ik zou m’n handen dichtknijpen met zo’n inkomen!” Het probleem ligt uiteindelijk ook niet bij het al dan niet te lage salaris op zich. Het werkelijke probleem is dat je heel aardig moet verdienen – al dan niet met z’n tweeën maar zeker als je alleen de kost verdient – wil je niet meer in aanmerking komen voor toeslagen. En dat is raar. Want als je een hbo-functie hebt en je kunt daarmee niet genoeg verdienen om gewoon je gezin te kunnen onderhouden, dan is er iets behoorlijk mis.

Het is het bekende verhaal. Jarenlang is er bezuinigd op lonen, behalve dan dat er af en toe een procentje bij komt. Maar zoals cijfers van de Rabobank al aantoonden, is het besteedbaar inkomen er in de afgelopen veertig jaar nauwelijks op vooruitgegaan. Wie er wel op vooruitgingen waren de grote bedrijven met hun aandeelhouders, die ook nog eens voor een deel in het buitenland zitten. En die bedrijven sloten bovendien deals met de belastingdienst waardoor winsten kunstmatig werden gedrukt, en soms zelfs helemaal niets werd betaald. Want ja, die banen, hè…

Maar de wal keert het schip al. Scholen moeten nu dure ZZP’ers inhuren, hun eigen oude werknemers. Ziekenhuizen idem dito. Tel uit je winst!

De vakbonden lijken alleen machteloos toe te kunnen kijken. Bestrijden de bonden elkaar? Gunt de onderwijsbond de politiebond niks? Zijn de bonden definitief te klein geworden? Ondertussen spint de overheid garen bij deze gang van zaken. Je gooit een paar miljoen hier over de schutting, een paar miljoen daar, waar maar het hardst wordt geschreeuwd, gedemonstreerd of gestaakt. En verder is het gewoon pappen en nathouden, want mensen die in de publieke sector werken, hebben hun werk meestal niet uitgekozen omdat je er zo lekker mee verdient. Die laten de boel heus niet in de steek.

Er zit maar één ding op. Staken. En dan allemaal, de hele publieke sector, politiemensen, de rechterlijke macht, ziekenhuispersoneel, onderwijspersoneel, mensen die in de zorg werken. Stel je voor, alle mensen in de publieke sector doen helemaal niets meer, één dag is al genoeg. Maar zo lang zij de handen niet ineenslaan, worden ze tegen elkaar uitgespeeld.

TLC-verslaving

Sinds enkele maanden ben ik ten prooi gevallen aan TLC, of preciezer aan de programma’s Say yes to the dress, en afgeleides als Bride gone styled en Something borrowed, something new.

Dit is een bekentenis, beste lezer, want tot voor kort wendde ik mij ter ontspanning tot documentaires en de betere film. Voor de gebroeders Coen, met de Fargo-series bijvoorbeeld, kon je me middenin de nacht wakker maken. Maar mijn goede smaak verkeert in een hardnekkige winterslaap.

Liggend op de bank, met de afstandsbediening binnen handbereik om reclame en saaie stukken door te spoelen, vermaak ik mij met volkomen hersenloze televisie. Heerlijk! Het ene verwende nest na het andere passeert de revue, de ene failliete vader na de andere kaalgeplukte oma, ik kan er geen genoeg van krijgen.

Want allemachtig, wat kosten die jurken veel! Houden sommige bruiden het nog bescheiden bij 1000 tot 1500 dollar, bij andere is the sky the limit, of liever gezegd, de bodemloze put. “Mijn schatje is mijn alles,” zegt zo’n blinde vader dan. Want blind zijn ze, die mannen. Hun dochter is het waard, net als de kennelijk al ondergane borstvergrotingen en neuscorrecties. Met als gevolg dat ze er allemaal hetzelfde uitzien.

De dochters zelf lijken het allemaal heel gewoon te vinden. Twaalfduizend dollar voor een jurk die je één dag draagt, nou en? En dan staan ze voor de spiegel en komt het tengere lijfje toch niet helemaal tot zijn recht, wat in een aantal gevallen trouwens volkomen voorspelbaar is als tenger niet helemaal het juiste woord is, of de taille bij voorbaat onvindbaar blijkt. Ook een reden voor afwijzing: mijn moeder huilt nog niet, want dat is the proof of the pudding.

Andere aanstaande bruiden dragen jurken die letterlijk stijf staan van het kant en de bling, en dan is het nog niet genoeg. “Er mist nog iets…. Ik vind de onderkant van de rok wat saai.” Mens! Saai? Het is het enige deel van de jurk waaraan je nog kunt zien dat er überhaupt een einde komt aan de anafylactische shock van tule en ruches!

Toch komt er langzamerhand een einde aan het TLC-tijdperk, merk ik aan mijzelf. Ik spoel steeds meer door – vooral de tenenkrommende lofzangen op de aanstaande bruidegom, die zeker weten na een half jaar toch wat tegenvalt, getuige de torenhoge eisen aan jurken.

En bovendien omdat het toch wel heel veel van hetzelfde is. “Ik voel me net een prinses,” kirren de dames in 90% van de gevallen. En echt spannend is de jurkenkeuze zelden, met al die wijde dan wel zeemeerminrokken en strapless bovenkant. Om nog maar te zwijgen over het bruidsmodezaakpersoneel…

Ik ben blijkbaar toch aan het ontwaken.

Tweede Kerstdag

Tweede Kerstdag is net zoiets als een wormvormig aanhangsel. Je bent ermee opgegroeid maar je hebt geen idee waarvoor het dient. Tegen infecties, zo las ik eens, maar dat was een gokje. Voor mij bestaat Tweede Kerstdag vooral uit het bijkomen van Eerste Kerstdag, die dit jaar overigens een groot succes was qua gezelligheid en lekker eten.

Vroeger hadden we op Tweede Kerstdag ’s morgens een gewone kerkdienst en ‘s middags het kinderkerstfeest, met een verhaal, warme chocolademelk, een boekje en een sinaasappel. Dat betekende dat je met een beetje pech in drie dagen vijfeneenhalf keer achtereen naar de kerk ging: op zondag twee keer, op Eerste Kerstdag (stel die viel op een maandag) ook twee keer en op Tweede Kerstdag anderhalf keer. Je zou er afvallig van worden.

Meestal was er dus geen chocolademelk en een kinderverhaal, maar alleen een preek. Nu was ik als kind zeer bedreven geraakt in het mijzelf bezighouden tijdens de preek, zozeer zelfs dat ik met een jaar of 18 (vroeger waren de mensen eerder volwassen) mezelf opnieuw heb moeten aanleren om gewoon eens te luisteren naar wat die man (toen nog) op de kansel eigenlijk te zeggen had. Om te constateren dat het zeer regelmatig ging om stokpaardjes, onversneden moralisme en typische predikantengewoontes als semantiek en woordspelletjes.

Maar een jaar of 20 geleden ben ik van vrijgemaakt-gereformeerd – via de Nederlands gereformeerde kerk – gewoon protestants geworden en dat scheelt een hoop diensten, en dus ook een hoop preken. Ik wilde dat ik kon zeggen dat de preken wel een stuk beter zijn, maar dat is helaas niet steeds het geval. Ze zijn wel een stuk korter, en dat maakt ook al uit, in aanmerking genomen dat een preek van vroeger voor minstens de helft uit herhalingen bestond, die in het gebed nog weer eens dunnetjes werden overgedaan.

Het scheelt in ieder geval een dienst op Tweede Kerstdag, en vandaar dat ik nu een blogje zit te tikken. Daarvoor is die Tweede Kerstdag dus, om terug te kijken op de Eerste en op al die andere kerstdagen in het verleden. Weer wat geleerd!

Gele hesjes

Deze blog is speciaal voor onze minister-president, die denkt dat het gele hesje ook hem past. En omdat ik ervan uitga dat hij mijn blog niet elke keer leest (geeft niet!) een reprise met een update.

Twee jaar geleden schreef ik een blog over de (lage) middenklasse, die het hoofd alleen boven water houdt door allerlei toeslagen. Van gele hesjes was toen nog geen sprake. Op dit moment is Jan Dijkgraaf van GeenStijl een van de weinigen die er een draagt. Waar we maken we ons druk over, zou je zeggen.

Maar er is wel degelijk iets aan de hand. Er is veel bezorgdheid en onrust in onze samenleving. Want de middenklasse – en vergis je niet, daar dríjft een samenleving op – is aan het inzakken. De middenklasse bestond vroeger uit de postbode, de middenstander, de onderwijzer, de politieagent, kortom uit iedereen die naar het huidige equivalent een mbo- en hbo-niveau had. Mensen met een vaste baan die zich zelf konden redden. De postbode is vervangen door een flexwerker, de middenstand staat onder druk, de onderwijzer en de politieagent worden bedolven onder de eisen, overbelast en slecht betaald.

De arbeider van vroeger – zeg zo tot eind jaren ’80 – verdiende minstens het minimumloon en al was het geen vetpot, je kon ervan leven. Maar op de een of andere manier is het minimumloon niet meer genoeg: er zijn allerlei soorten toeslagen nodig om rond te kunnen komen: voor de huur, de kinderen, de opvang van de kinderen, en de zorg. Het zijn niet alleen de mensen met een mager salaris die van toeslagen afhankelijk zijn. Bijna 40 procent van de huishoudens had in 2016 een ‘regeling op het gebied van Inkomensondersteuning’, meldde het CBS“>CBS.

Toeslagen geven veel mensen weliswaar geld, maar ook een onrustig gevoel. Vul ik die formulieren wel goed in? Waar heb ik eigenlijk allemaal recht op, en hoe kom ik daar achter? En dan is daar nog het eigen risico in de zorg dat met name op minimumniveau als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. En tandartszorg? Te duur voor veel mensen, ik zie veel meer rotte gebitten dan vroeger. Maar vooral: ik werk fulltime, hoe kan het dat ik daar niet alles gewoon van kan betalen?

Het is inderdaad gek dat wat vroeger van het loon werd betaald, nu door de overheid op het kleed wordt gelegd. Dit voorjaar meldde de Rabobank dat het besteedbaar inkomen van huishouden de afgelopen veertig jaar nauwelijks is toegenomen. Dat is vreemd, want de afgelopen veertig jaar is er wel de ene na de andere toeslag bijgekomen. Met een toeslagje hier en een miljoentje daar telkens wat gaten repareren, is makkelijker dan bijvoorbeeld het belastingsysteem aanpakken.

Tel daarbij op de continue werkdruk die veel mensen ervaren: de productiviteit moet omhoog, en de kwaliteit natuurlijk ook. Anderen krijgen alleen nog losse contracten. Ze kunnen alles kwijtraken als ze hun baan verliezen, of als de relatie stuk gaat (het tweede inkomen is noodzakelijk!). De kinderen moeten lenen als ze gaan studeren, en wel zoveel dat het hen en jou gaat duizelen. Ook voor een beroep waar ze later hooguit modaal gaan verdienen moeten ze duizenden euro’s schuld maken. ZZP’ers worden uitgebuit met slecht betaalde opdrachten, flexwerkers verkeren voortdurend in onzekerheid. Ook hier geldt: niet alleen aan de onderkant van de samenleving…

En dan hèb je nog werk… Werklozen, vooral oudere, hebben hun rechten zien verkruimelen, hun WW is ingekort, hun pensioen is uitgesteld. Met de beste redenen wellicht, maar daar heb je niet zo veel aan als je je huis moet verkopen en een bijstandsuitkering krijgt, met alle vernederingen waarmee dat gepaard kan gaan, de soms botte manier waarop het UWV je toespreekt, en met het formulierendoolhof waarin je je weg moet vinden.

Veel mensen ervaren verlies van waardigheid omdat ze niet meer in hun onderhoud kunnen voorzien met fulltime werk, zonder dat de overheid op een of meer manieren maandelijks bijspringt.

Dat is de ene kant van het verhaal. De andere kant is wat te zien is bij ‘de top’. Bankiers, topbestuurders en aanverwanten die met miljoenen op zak vertrekken als er ‘afscheid van hen wordt genomen’. Die uitdrukking kennen ze zelf vaak ook, maar dan betekent het gewoon ontslag en daarna niks.

Deze andere kant stoort ook mensen die zich geen zorgen hoeven te maken. Maar het zal toch verschil maken of je elke morgen met angst in het hart naar de brievenbus loopt omdat daar onverwachte rekeningen in kunnen zitten, of dat je overgaat tot de orde van de dag en je jezelf nog een goed glas wijn inschenkt voor het slapengaan.

‘Ik zou er graag iets aan doen maar helaas, daar is geen geld voor’, zeggen politici. Maar bepalen waar je het geld aan uitgeeft, is nu net een van de kenmerken van politiek bedrijven. De marktwerking overal doorvoeren, is een keuze geweest, geen noodlot of natuurwet. Daarom gaat het bijvoorbeeld niet aan te zeggen dat vluchtelingen opvangen ten koste gaat van de laagstbetaalden. Dat is alleen maar zo omdat eerst is bepaald dat de opvang uit dat potje betaald moet worden. Evengoed zou je kunnen stellen dat de opvang van asielzoekers betaald moet worden uit de winst van bedrijven. Dat is ook een keuze, een politieke keuze die evengoed te verdedigen is als een andere.

Bovendien heersen er een paar vervelende ideeën in onze samenleving over werk, en over succes hebben of niet. Mark Rutte heeft het tot vervelens toe over ‘de hardwerkende Nederlander’, voor wie hij het zou opnemen. De suggestie is dat het allemaal wel goed komt als je maar hard werkt. Helaas, dat is een misvatting en daar zijn al veel mensen achter gekomen. Dit is de periode waarin de wrange vruchten worden geplukt van het neoliberalisme.

Afgezien van het economische aspect worden veel mensen zenuwachtig van het culturele ongenoegen. Als Nederland inderdaad niets anders meer is dan markt en geld verdienen, wie ben je dan als je daaraan niet mee kunt doen? En als je je realiseert dat alleen het economische niet je identiteit kan bepalen, waar haal je die dan vandaan? Europa is haar ziel aan het verliezen.

Dat is de tweede grote vraag, naast de economische inrichting van Nederland. Het is het vraagstuk van Nederland en Europa zelf. Wie zijn wij, wat bepaalt onze identiteit behalve marktwerking en geld verdienen? De mensenrechten, hoor ik vaak. Maar ‘de mensenrechten’ is een veld vol voetangels en klemmen, en ingebed in een cultuur. Mensenrechten zijn een uitvloeisel daarvan, geen bron. Dat wordt duidelijk zo gauw je met de Universele (sic) Verklaring in de hand met een ambassadeur spreekt van een land in een ander deel van de wereld. Teruggrijpen op het christendom is voor de grote meerderheid een gepasseerd station. Christendom, kerk… ging dat niet over bekrompenheid, onderdrukking en misbruik?

En dan zijn er nu de gele hesjes, nog beperkt tot enkele tientallen, en met malloten als Jan Dijkgraaf aan het roer. Tot nu toe hoor ik echter angstig veel badinerende opmerkingen, alsof het gaat om een paar mensen die bijvoorbeeld de ernst van de klimaatverandering niet inzien. Of om mensen die gewoon overal tegen zijn, ontevredenen zoals iedereen ze wel kent. Of om extreemrechts. Extreemrechts zou het zo maar kunnen worden, maar zo ver hoeft het niet te komen.

Wat als we nu ons economische systeem eens goed zouden aanpakken, en mensen gewoon genoeg zouden verdienen om alles te kunnen betalen. Als het belastingsysteem nu eens echt op de schop zou gaan zodat de mensen met de zwaarste lasten en vooral het meeste vermogen meer zouden gaan betalen. En wanneer ook de grote bedrijven fatsoenlijk gaan bijdragen aan de samenleving. Dan kunnen we ook eens stoppen met dat rondpompen van geld in het toeslagencircus. En kunnen de gele hesjes gewoon bij de Action in de schappen blijven liggen.

Niet eens alleen omdat die gele hesjes dan een excuus minder hebben, omdat je mensen dan niet het pad opdrijft van extreemrechts, omdat je de voedingsbodem voor haat en onverdraagzaamheid wat minder vruchtbaar maakt. Of omdat je er een betere economie van krijgt.
Maar omdat het gewoon eerlijk is. Dat vooral.

Draagmoeder

Het is een Oudhollands recept om niet-materiële onderwerpen aan te kaarten: ‘Wij willen het, het kan, maar van de wet mag het nog niet’. Tegenstanders zijn mensen die het niet begrijpen omdat ze het zelf niet hebben meegemaakt, of mensen die van hun religie niet zelf mogen nadenken.

Dat frame wordt gebruikt voor veel onderwerpen: abortus, euthanasie voor mensen die niet zelf kunnen beslissen, en ook voor de huidige discussie: draagmoederschap. Stuk voor stuk zijn het complexe zaken die een betere behandeling verdienen dan bovenstaande redenering met als kernwoord: ‘nog’.

Neem het laatste voorbeeld: een kliniek voor draagmoederschap voor homostellen in Nederland. Of het nu voor homo- of heterostellen is, ik vind dat hele draagmoederschap maar knap ingewikkeld. Dat ik zelf kinderen heb gebaard, maakt de kwestie er volgens sommigen niet eenvoudiger op: wie ben ik wel dat ik me hier een mening over aanmatig…? Dat is een eenzijdige redenering, want voor hetzelfde geld zou je juist wel zelf kinderen gebaard moeten hebben om je er een mening over te kunnen vormen, maar dat terzijde.

Ook een regelmatig gehoord argument is dat juist christenen hier geen probleem mee zouden moeten hebben omdat Lea en Rachel ook hun slavinnen gebruikten als draagmoeder. Alsof het loutere feit dat het in de Bijbel staat ‘geen-bezwaar’ zou betekenen. Kom er maar in, theologen!

Maar ik heb wel bezwaar. Draagmoederschap is een typisch voorbeeld van instrumentalisering van het vrouwelijk lichaam, waarvoor ingeburgerde termen als ‘reproductie’ typerend zijn. Maar zwangerschap is niet alleen maar ‘een kind voortbrengen’, net zoals abortus meer is dan ‘zwangerschapsweefsel verwijderen’.

Natuurlijk zullen er altijd vrouwen zijn die geheel uit eigen beweging voor iemand een kind willen baren. En als het bijvoorbeeld een zus is, kan ik me dat misschien nog een klein beetje voorstellen ook. Maar met het huidige primaat van het economisch denken ben ik er niet gerust op.

Een kind is geen bezit en ook geen recht, al lijkt het daar soms verdacht veel op. En een vrouwenlichaam kan niet zo maar in de verhuur worden gedaan, ook niet als ‘de begeleiding goed geregeld is’, zoals geruststellend werd meegedeeld.

Ik kan het niet helpen maar ik moet steeds maar denken aan The handmaids tale. Dat mag dan een dystopie zijn waarvan de kans dat hij ooit uitkomt heel gering is, wie precies de nieuwe bazen worden, maakt voor de slaven over het algemeen weinig uit.

Voucher

Ooit ging je naar de markt en kocht daar wat je nodig had. Toen kwam de supermarkt, en met de supermarkt kwamen de zegeltjes. Maar daar bleef het natuurlijk niet bij. Inmiddels is het zegeltjessysteem grotendeels vervangen door de klantenpas, die je niet zelden ook nog eens online moet registreren, onder dreiging van het mislopen van voordeeltjes.

Als je tegen elke klantenpas die je wordt aangeboden ja zegt, kun je inmiddels een extra tasje met pasjes meezeulen. “Hebt u onze klantenpas nog niet?” “Nee.” “Wilt u onze klantenpas?” “Nee.” Soms tref je een volhoudend exemplaar aan die dan alle voordelen van de klantenpas wil opnoemen. Doe maar niet.

Nu heeft de praktijk inmiddels uitgewezen dat de meeste van die voordelen voor mij volstrekt oninteressant zijn. Als ik een brood koop, hoef ik daar geen koek bij, of – erger nog – als ik bij de Hema een onderbroek koop, zit ik niet noodzakelijkerwijs te wachten op een fles shampoo. Iets gratis ergens bij krijgen is wat mij betreft de meest stompzinnige vorm van reclame. ‘Koop een auto en krijg daar een reisje Brazilië bij’. Maar ik wil helemaal niet naar Brazilië.

En dan is er nog de categorie kleine lettertjes en speciale voorwaarden. Zo bezochten Echtgenoot en ik onlangs Hudson’s Bay in Maastricht. Je krijgt daar pas toegang tot het toilet nadat je 50 cent hebt betaald, bij zo’n poortje met klaphekje. Ik kan daar in principe zo overheen stappen, maar tot nu toe hebben geweten en goede zeden mij belet daarvan gebruik te maken.

Nu vind ik 50 cent betalen voor toiletgebruik geen enkel probleem, zeker niet als daar een toiletjuffrouw bij zit. Maar die soort lijkt uitgestorven, wat alleen al cultuurtechnisch een groot verlies is. Ervoor in de plaats kwam de voucher: ‘ga plassen en daarna koffiedrinken in een restaurant’. Ja, zo houd je je klandizie wel aan de gang.

Ergerlijker was in dit geval dat het bonnetje alleen inwisselbaar bleek bij een La Place-vestiging in een Hudson’s Bay-winkel. Want onderweg aangekomen bij een La Place langs de snelweg bleek het bonnetje niet geldig. “Dit kunnen wij niet scannen, mevrouw”, zei het schaap achter de kassa. “Maar er staat toch La Place”, hield ik vol.

De chef van het schaap legde mij uit dat er op een bord bij de ingang van het pand weliswaar stond dat je overal La Place-vouchers kon inwisselen behalve op NS-stations en vliegvelden, maar dat hier immers ook nog Hudson’s Bay op stond. Die logica ontging mij.

Inmiddels had ik de neiging gekregen al die vouchers ritueel te verbranden, dan wel met spuug op de ramen van het snelwegrestaurant te plakken, maar ook ditmaal weerhielden geweten en goede zeden mij daarvan.

Ik heb er wel van geleerd. Ik weiger in het vervolg elke voucher. Ik betaal voor wat ik wil kopen en ik hoef verder helemaal niks. Geen pas, geen voucher, geen tegoedbon. Dan maar geen gratis knakworst.

Bedrijfsleven

Eindelijk, de dividendbelasting wordt toch niet afgeschaft. Rutte is bij zinnen gekomen. Dat dacht ik toen ik alleen de kop las. Maar toen las ik verder: het geld dat daarmee ‘bespaard’ wordt, gaat naar het bedrijfsleven, naar het vestigingsklimaat, what ever that may be. En toen moest ik even heel hard mijn best doen om niet te vloeken.

De publieke sector wankelt op haar voeten. Overbelast, onderbetaald en zwoegend onder de protocollen. Maar Rutte vindt dat het bedrijfsleven 2 miljard euro nodig heeft. Waarvoor?

Om de salarissen aan de top nog wat op te schroeven? Om juristen in te huren die mensen nog een beetje sneller kunnen wegwerken als ze te oud worden of wel eens ziek zijn? Om door belastingconsulenten de laatste mazen in de wet te laten zoeken, of nog onontdekte belastingparadijzen te laten opsporen?

Misschien kan het bedrijfsleven investeren in robots om nog wat goedkoper te kunnen produceren. Of op zoek gaan naar landen waar je nog ongestoord je giftige afval kunt dumpen. Het kan voor dat extra geld communicatiemedewerkers inhuren die in glanzende brochures lulkoek schrijven over duurzaamheid. Niet dat het bedrijfsleven dat echt belangrijk vindt… maar het lijkt wel mooi.

En nu het bedrijfsleven dit douceurtje tegemoet kan zien, heb ik nog wel wat suggesties die ook geld voor het bedrijfsleven kan opleveren. Schaf bijvoorbeeld de ggz en jeugdhulp af. Je kunt immers net zo goed naar je buurvrouw voor advies? We moeten gewoon wat meer op elkaar letten, zei onlangs VVD’er Onno Hoes, die zich twee jaar met ‘verwarde mensen’ heeft beziggehouden. Participeren, mensen! Heel gemakkelijk. We moeten weer wat meer oog voor elkaar krijgen. Dat is ook goedkoper.

Ik zou ook nog wat korten op de thuiszorg en de kinderopvang. Jij kunt best de ramen van je buurvrouw lappen en haar af en toe eens onder de douche zetten, je kinderen gaan maar naar je moeder. En waarom is het onderwijs nog niet geprivatiseerd? Of is het daar nog niet excellent genoeg voor?

Misschien kan het bedrijfsleven de publieke sector gaan sponsoren. Daar heeft het straks genoeg geld voor.

Wielrenbroekje

Meestal sla ik moderubrieken over. Af en toe maak ik een uitzondering voor vooruitblikken als ‘We gaan groen-oranje strepen dragen in de herfst!’ of ‘Paars is het nieuwe zwart’. Het verslag in de Volkskrant van de fashionweek in Milaan echter vermocht mijn aandacht iets langer vast te houden. Reden: de woorden ‘wielrenbroekje’ en ‘glitterkilt’.

Ik sloot even de ogen en zag meteen hordes dames op middelbare leeftijd in wielrenbroekjes – vergezeld van heren in glitterkilt – in lange rijen over de stoep lopen. De horror. Maar de opzet was geslaagd, ik las verder.

Eerst de foto’s bekijken want beeld, daar gaat het bij mode toch om. Het was even doorbijten. De eerste dame droeg inderdaad een wielrenbroekje, zo’n strak geval met pijpjes tot halverwege de knieën, zeg maar een korte legging. Alsof we er daar niet al genoeg van hebben! Nu was dit nog zo’n meisje dat er ook in een jutezak en met een kaal hoofd nog appetijtelijk uitzag.

Het was de foto daaronder die me pas echt een hartverzakking bezorgde: was het wielrenbroekmodel nog gewoon slank, deze was graatmager. Ik werd een beetje misselijk. Armen en benen als stokjes, en geen boezem te bekennen (of die moest net onder een soort riem verdwenen zijn). Jukbeenderen die een paar centimeter uitstaken en holle ogen. Wanneer had de stakker de laatste keer gegeten? Vorige week?


Verder lezend en kijkend vroeg ik me voor de zoveelste keer af hoeveel stappen er tussen de modeshows en de kledingwinkels bij mij in de stad zitten. Minstens tien, schat ik, en terecht. Van de kledingstukken op de catwalk kan ik geen chocola maken. Ik zie mezelf in ieder geval nog niet lopen in een bruin badpak met een zalmkleurig satijnen rokje er schuin overheen geknoopt. En met afgezakte pantykniekousen in torenhoge rode stiletto’s erbij. Toegegeven, ik ben wel een stuk dikker dan het arme gratenmeisje.

Maar die wielrenbroekjes, daar ben ik nog niet zo zeker van. Die hangen vast vanaf volgend jaar bij duizenden in de rekken. “Kijk”, zegt zo’n winkelmeisje dan met een ijzeren glimlach, “Die draag je bij een bruin badpak.” En dan zwaait ze die sierlijk voor mijn neus.
“Nee,” zal ik dan naar waarheid antwoorden. “Dat mag ik niet van mijn moeder.”

Emocratie

De berichtgeving rond Lily en Howick en de reacties daarop, op met name Twitter, kenmerkt zich door grote woorden door de meest uiteenlopende mensen. Prinses Laurentien bijvoorbeeld had ook een mening over de kwestie, en die was blijkbaar zo belangrijk dat ze ermee in het NOS-journaal kwam.

In de reacties op Twitter krijgt vooral de ChristenUnie ervan langs. De politici van deze partij weten niet meer van genade, de CU moet meteen uit de regering stappen, mensen zeggen hun lidmaatschap van de partij op, en iedereen die in Nederland wil blijven moet dat mogen. Nou ja, bijna iedereen. Maar in ieder geval de mensen voor wie wij sympathie hebben, of van wie we weten hoe ze er uit zien.

Vooropgesteld: natuurlijk moesten Lily en Howick een verblijfsvergunning krijgen. Je kunt kinderen niet eerst tien of twaalf jaar hier laten opgroeien om ze vervolgens uit te zetten. De overheid zou eindelijk eens iets aan de procedures moeten doen, en eens behoorlijk investeren in mensen die ze moeten uitvoeren. Zoals deze twee kinderen zijn er immers nog 400.

De verontwaardiging beperkt zich echter voornamelijk tot de twee kinderen wier gezichten niet meer uit de media te branden waren. De enkeling die het (terecht) waagde vraagtekens te stellen bij de houding en handelwijze van de moeder kreeg een grote bak stront over zich heen. Die was geen christen, of een hypocriet, die kende de Bijbel en al helemaal het begrip genade niet en werd bij wijze van stoomcursus met teksten om de oren geslagen.

Ik vind het erg jammer dat zulke publieke verontwaardiging nooit eens ten goede komt aan al die kinderen die opgroeien in gezinnen met schulden. Of aan kinderen die van tehuis naar tehuis gaan omdat er weer eens bezuinigd moet worden. Of aan de duizenden kinderen die noodgedwongen thuiszitten omdat er geen school is die ze wil of kan opnemen.

Maar dat zijn kinderen zonder naam, we weten niet hoe ze eruit zien, we kennen ze niet. Misschien zijn het ook wel kinderen die we niet zo sympathiek vinden. Kinderen met gedragsproblemen bijvoorbeeld, of met een laag IQ.

Het is een zorgelijk fenomeen, die mediahypes die vooral drijven op beelden en inspelen op de emotie. Ze werken alleen voor ‘ons soort mensen’, de mensen met wie we ons verwant voelen. Het kost ons niets, het vraagt geen werkelijke inzet, geen energie, je hoeft er niet voor te betalen, en nog een bonuspunt: je staat automatisch aan de goede kant! Zouden kinderen die er een potje van maken ook zo zijn gesteund? Of is de genade er niet voor hen?

Er wordt aan de linkerzijde van het politiek spectrum veel en terecht geklaagd over het rechts-populisme dat op de onderbuik inspeelt. Maar wat hier gebeurd is, heeft net zo goed met de onderbuik te maken als de retoriek van de PVV.
Het wordt weer tijd voor echte politiek. Op basis van een brede visie op wat goed is voor de samenleving bepalen welke kant je op wilt, in plaats van op je emoties drijven. Dan komt het niet alleen voor kinderen als Lily en Howick in orde, maar ook voor de naamloze duizenden om wie de publieke opinie zich nu niet bekommert.

Dit stuk verscheen eerder in het Friesch Dagblad

Kamerplant

De zomer is voorbij, in ieder geval in mijn hoofd. Het wordt dan wel 24 graden dit weekend, maar wat de temperatuur van plan is, zal me worst wezen. Het is dit weekend september en daar heeft het weer zich maar aan te houden.

Zoals altijd in deze tijd van het jaar bekommer ik me weer wat meer om het interieur van het huis. Zo heb ik vanmorgen eigenhandig prullaria afgestoft en de open kast anders ingedeeld. Voor sommige mensen is dat een wekelijkse klus, bij mij vindt dat hooguit tweemaal per jaar plaats.

De aanleiding is vaak het bezoek aan vrienden. Wat is het daar toch gezellig, en wat is het bij mij toch saai. Ondanks bezweringen hunnerzijds dat dit geenszins het geval is, bleef ik twijfelen. Het is te kaal, besloot ik. Er moet iets levends bij, iets kleurigs. Toen viel het kwartje. Een kamerplant!

Op naar een grote plantenfirma, dus. Maar dat had ik beter niet kunnen doen. Sinds ik in de jaren ’90 afscheid nam van het fenomeen kamerplant is er vrijwel niets veranderd. Er zijn nog steeds van die palmbomen te koop, varens, azalea’s, cyclamen, aronskelken en – de heks onder de kamerplanten – sansevieria’s.

Azalea’s en cyclamen herinneren me aan de diepe treurnis van de interieurs uit de jaren ’70. Aronskelken doen me aan begrafenissen denken en palmbomen vind ik zielig want die horen aan het strand te staan. Toppunt van kamerplantenellende is overigens de kamerden, daar word ik altijd erg verdrietig van. Varens zijn op zich nog wel leuk, maar die gaan bij mij het snelste dood van allemaal. Aan de sansevieria wijd ik hier verder geen woorden, vrouwentongen heten ze ook wel. I rest my case.

Op dit moment heb ik nog maar één kamerplant in mijn bezit: een lidcactus die weigert te sterven. Soms vergeet ik weken achtereen om hem water te geven maar de enige reactie is knopvorming. Dat is dan wel weer leuk.

Verder heb ik een plantje waarvan ik dacht dat er eetbare vruchtjes aan kwamen. Quod non. En een hortensiaatje dat ik vorig jaar na de bloei buiten had gezet en die dit voorjaar gewoon weer ging bloeien. En dat doet hij nog steeds.

Eigenlijk is het de goden verzoeken als ik een kamerplant koop. De kans dat ik over zes weken nog steeds een kamerplant heb, is vrij klein, weet ik uit ervaring. Nu ben ik dus op zoek naar een kamerplant die mij niet doet herinneren aan de jaren ’70, die niet overduidelijk staat te smachten naar de plek waar hij thuishoort, die er niet uitziet alsof hij mij elk moment kan aanvallen, en die oer- en oersterk is. Tips welkom!