Abortus

Het leek een tijdlang rustiger te worden rond de abortusdiscussie. Ook voorstanders van de mogelijkheid erkenden de mogelijk traumatische gevolgen van abortus, en tegenstanders leken meer begrip te krijgen voor de penibele omstandigheden van ongewenst zwangere vrouwen. Voor euthanasie geldt toename van begrip bij christenen mogelijk nog meer – dat wil zeggen, daar waar euthanasie zich beperkt tot terminaal zieke patiënten.

Maar toen kwam de Mars voor het Leven van 9 december. Organisator was ‘Schreeuw om Leven’, bekend van acties als plastic foetussen op ware grootte en demonstraties bij abortusklinieken. Voorop liepen CU-voorman Gert-Jan Seegers en SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij.

Twitter ontplofte, zoals gebruikelijk. De reacties waren ongemeen fel en hard, zelfs voor onze uiterst gepolariseerde samenleving. Ongenuanceerd als Twitter is, werden voor het gemak alle christenen over één kam geschoren. Het was gefundenes Fressen voor iedereen die religie eerder vandaag dan morgen achter de voordeur ziet verdwijnen. Menigeen zag zijn eigen vrijheid alleen al aangetast doordat de Mars überhaupt plaatsvond.

Buikpijn
Toch zullen ook veel christenen een beetje buikpijn hebben gekregen van deze Mars voor het Leven. Dat begint al met het feit dat abortus en euthanasie onder één noemer worden gebracht, terwijl het toch echt verschillende onderwerpen zijn. Het maakt nogal verschil of je het leven van een terminaal zieke patiënt beëindigt waardoor deze enkele dagen of weken eerder sterft, of dat een ongeboren kind niet eens kan beginnen aan zijn of haar leven.

Daarbij is de prominente aanwezigheid van politici een complicerende factor. Zeker waar het de SGP betreft, zijn er nogal wat kanttekeningen te plaatsen. Deze partij had tot voor kort nog de doodstraf in zijn programma staan. Daarnaast profileert de partij zich sterk als gezinspartij, waarbij gezin ook echt staat voor het traditionele gezin met een vader, een moeder en kinderen. Verder staat de SGP niet direct bekend als royaal met sociale voorzieningen, en daar zullen veel alleenstaande moeders toch regelmatig – en zeker voor een bepaalde periode – op aangewezen zijn.

De ChristenUnie heeft zo zijn eigen imagoprobleem. De partij maakt op dit moment immers deel uit van een coalitie die geen goede reputatie heeft op het gebied van kindvriendelijke maatregelen. Zo is daar bijvoorbeeld het kinderpardon dat de onderhandelingen niet heeft overleefd. Het werd de partij als verwijt voor de voeten geworpen. Wel op de bres staan voor ongeboren kinderen, maar als ze er dan zijn moeten ze zich maar redden? Hypocriet!

Maar een alternatief bieden degenen die de christelijke partijen bekritiseren feitelijk niet. Want niet zelden betekent ‘je eigen keuze’ in de praktijk: ‘red je er maar mee’. Feministen hebben in deze discussie vanaf het begin al het standpunt ingenomen dat de vrouw beslist. Dat klinkt logisch, maar is tegelijkertijd ook heel kort door de bocht. Een foetus is immers geen klompje cellen zonder meerwaarde. Versluierend taalgebruik als ‘zwangerschapsweefsel’ en ‘weghalen’ doet daar niets aan af.

Een gewenst zwangere vrouw spreekt al vanaf het begin van de zwangerschap over ‘mijn kind’. Ook vrouwen die een abortus ondergaan, beschrijven het niet zelden als een traumatische ervaring. De overwinning van het feminisme is niet zelden een Pyrrhusoverwinning.

Waarom de discussie tussen voor- en tegenstanders zo vaak een gesprek is tussen doven, wordt deels verklaard door de botsing tussen twee grondrechten: die op leven en die op vrijheid. Tegenstanders van abortus hebben gelijk als ze claimen dat abortus strijdt met het recht op leven. Voorstanders hebben gelijk als ze de vrijheid van vrouwen verdedigen, zeker in het bredere kader van de geschiedenis waarin vrouwen op dit punt toch al zo vaak het onderspit delven.

Of vrouwen iets opschieten met deze patstelling is de vraag. Het wordt voor onwillige mannen nog makkelijker hun verantwoordelijkheid over de schutting van vrouwen te werpen. ‘Dan laat je het toch weghalen’, is niet zelden de reactie. ‘Het is jouw keuze’ klinkt schril als je als vrouw vanaf dat moment geacht wordt het zelf maar op te knappen. De verantwoordelijkheid voor onbedoelde zwangerschappen komt zo helemaal op het bordje van vrouwen te liggen. Draagt ze de zwangerschap uit, dan komt ze tal van problemen tegen. Ondergaat ze een abortus, dan draagt ze dat vaak haar leven lang met zich mee.

Isolement
In de discussies naar aanleiding van de Mars voor het Leven was voortdurend te horen dat vrouwen zich niet schuldig hoeven te voelen omdat ze over hun eigen lichaam mogen beslissen – ofwel dat het schuldgevoel een gevolg is van christelijke indoctrinatie. Maar zulke bezweringen helpen niet altijd.

Op dit punt hebben kerken en christenen – juist die aan de meer orthodoxe kant – trouwens ook nog wel wat huiswerk te verrichten. Hoeveel ongewenst zwangere christelijke meisjes hebben een abortus ondergaan uit angst voor afwijzing en sociaal isolement? En hoe verging het de vrouwen die hun zwangerschap wel hebben uitgedragen?

Het zou goed zijn als christenen die zich achter de Mars voor het Leven scharen zich dringend beraden. Hoe behandelen zij onbedoeld zwangere vrouwen, en wat mag het de samenleving kosten aan hulp en begeleiding, ook als het kind er eenmaal is?

Inderdaad, de meeste vrouwen plegen niet zomaar een abortus. Maar in onze maatschappij worden mensen wel opgejaagd. Een studente van begin twintig moet stevig in haar schoenen staan om een kind en een studie te kunnen combineren. En niet zelden wordt geldgebrek als belangrijk motief voor een abortus opgevoerd. Daar zouden christelijke partijen weleens wat meer naar mogen kijken.

Dit opiniestuk stond eerder in het Friesch Dagblad

ADHD

Wat een herkenbaar verhaal van Frea Kroese in het Nederlands Dagblad! Als moeder van vijf kinderen waarvan drie met ADHD (en net als Kroese heb ik er ook een aantal kenmerken van) herken ik veel van wat zij zegt. De moeite met structuur aanbrengen, de grote afkeer van routinetaken, de overmaat aan energie en de creativiteit.

En tegelijkertijd heeft ook Laura Batstra gelijk. Haar waarschuwing kinderen niet te snel medicijnen te geven, lijkt me zeer terecht. Probeer eerst maar eens iets aan de omgeving te doen. Creëer rust en structuur, en accepteer dat niet ieder kind in dezelfde mal past.

De grote vraag is: wat is ADHD eigenlijk? Is ADHD alleen gedrag? Is het een hersenafwijking, of gewoon een andere manier van denken, zien en voelen, zoals mensen op meer manieren van elkaar verschillen? Is het een afwijking geworden omdat er in onze maatschappij andere eisen worden gesteld dan pakweg 60 jaar geleden?

Het wetenschappelijk onderzoek over de kleinere hersenen is al weer vakkundig onderuit gehaald. Aanleg en omgevingsfactoren blijken vaak een onontwarbare kluwen. Dat maakt de vraag des te prangender. ADHD is dan geen modeziekte, maar het is misschien wel iets wat bij onze tijd past. Een aandachtsstoornis in een tijd waarin alles en iedereen voortdurend om je aandacht schreeuwt.

Onze samenleving is bovendien jachtig en gehaast en heeft nog maar smalle marges voor wat ‘normaal’ is. Zelfs kinderen van vier jaar worden al langs de meetlat gelegd en ‘getest’. De prestatiedruk is hoog, voor ouders en voor kinderen.

Toen onze oudste ADHD’er voor het eerst werd getest, was er nog geen ADHD. Hij kreeg de diagnose MBD: Minimal Brain Damage. De psycholoog leek het bijna jammer te vinden dat zijn geboorte probleemloos verlopen was, want dan had hij de oorzaak kunnen aanwijzen. Verder was er niets te doen aan MBD.

Niet lang daarna heette het Minimal Brain Disfunction, met de cirkelredenering dat er wel iets met de hersenen aan de hand móest zijn omdat je dat kon zien aan zijn gedrag, al viel dat met geen enkele scan aan te tonen. Weer een paar jaar later was het dus ADHD, met in het voetspoor van de diagnose de oplossing: ritalin. Er zijn kwade tongen die beweren dat er geen ADHD geweest was zonder ritalin. Ik weet niet of ze gelijk hebben.

Geen ritalin voor onze kinderen, overigens. Het was alsof er een grauwsluier over hun leven neerdaalde, hun creativiteit verdween als sneeuw voor de zon. Het hielp wel voor de structuur, maar daar heb je niet zoveel aan als je als een zombie op de bank blijft zitten. Dat zegt natuurlijk niets over andere kinderen, die daar wel degelijk baat bij kunnen hebben.

Maar de nadruk op medicijnen betreur ik zeer. Mooi als je een diagnose kunt stellen, fijn als er medicijnen zijn, maar een diagnose en medicijnen is niet altijd waar een kind mee gebaat is. Veel belangrijker is dat er goede onderwijzers voor de klas staan, die hart hebben voor kinderen en voldoende tijd voor individuele aandacht. Belangrijker is dat een gezin niet gebukt gaat onder de stress van werkdruk, een slechte woonomgeving of schulden.

Wat ook helpt is een sociale omgeving die niet meteen met het vingertje klaarstaat als een kind afwijkt van het gemiddelde. En een samenleving die kinderen de tijd geeft zich te ontwikkelen, ook als dat wat langer duurt of grilliger verloopt dan gemiddeld. En een onderwijssysteem dat daarop aansluit. Een samenleving die het eigene van ieder kind waardeert, iedereen een plek onder de zon gunt.

Op die manier kunnen kinderen met ADHD (en met welke andere afkorting dan ook) niet alleen meedoen, maar de samenleving verrijken met wat ze te bieden hebben. In het geval van de ADHD’er is dat niet zelden de zo hoog geroemde creativiteit, de eigenschap oplossingen te kunnen bedenken voor nieuwe problemen. Tel uit je winst.

Advent

Het is de eerste Adventszondag en dus mag het weer: de he-le dag door Christmas Carrolls draaien. Ik heb meteen maar de eerste adventskaars aangestoken. Nou ja, een advents-waxinelichtje, want natuurlijk ben ik weer vergeten vier gelijke kaarsen te kopen, en bovendien is de adventskandelaar onvindbaar.

Volgende actie: de adventsster ophangen, in de vorm van een adventssneeuwvlok trouwens maar een kniesoor die daar op let. Hij moet alleen nog aan, want het snoer is te kort. Hoe deden we dat vorig jaar eigenlijk? Zoals elk jaar doet Echtgenoot dat want die is van het elektriek. Na een halve verbouwing qua stopcontacten en verlengsnoeren verspreidt de ster zijn ledlicht.

In de cd-speler ligt een cd van 25 jaar geleden van toen nog het Stadsknapenkoor Elburg. Dat is inmiddels te merken, al slaat helaas Silent night, holy night natuurlijk net weer niet spontaan over. En vanaf lied 21 geeft hij het helemaal op. Maar ik ben gehecht aan die cd want die was mijn eerste kennismaking met de Engelse kerstmuziek.

Alternatief zijn de Carrolls van Kings College Choir die Echtgenoot tevoorschijn tovert via zijn hoogontwikkelde hifi-gebeuren, waarvan ik het begin nog niet vermag te begrijpen. Wat doen die Engelsen dat toch goed, ze houden de traditie in ere en vernieuwen hem tegelijkertijd met prachtige heel moderne bewerkingen van de oude melodieën.

Stiekem vind ik Advent mooier dan het Kerstfeest zelf, zeker de eerste weken. Nog geen kerstdinerrecepten-tsunami en kerstliedjesterreur in de supermarkt, alleen een onbestemd maar zeker gevoel dat ooit alles goed komt. Zelfs aan de valse Dickens-romantiek met zijn besneeuwde velden en arresleden geef ik mij op dit moment even schaamteloos over.

Toch maar weer een nieuwe adventskandelaar kopen morgen.

Sinterklaas

De regen striemt tegen de ramen en ik zit lekker bij de kachel een stukkie te tikken. Dat was vroeger wel anders. Vroeger stond ik dezer dagen ergens aan een kade, kleumend te wachten tot er een stel verklede mensen aankwam op een boot die een paar honderd meter verderop van wal was gegaan.

Ik was daar natuurlijk niet alleen, mijn kinderen in de Sinterklaas-leeftijd stonden er naast. Goed de handjes vasthouden want vlak bij het water, chocolademelk belovend want was het koud. En dan kwam die lamzak ook altijd nog een uur te laat want daar werd het spannender van. En er moest altijd een kind plassen. Gelukkig heb ik alleen jongetjes.

Het was eigenlijk volkomen onverdiend dat ik daar stond, want ik heb mijn kinderen altijd verteld dat Sinterklaas een verklede man is, en Zwarte Piet (hij ruste in vrede) ook nog eens geverfd. Die laatste mededeling kwam overigens recht uit de mond van onze destijds driejarige oudste kind: “Bah, die man is geverfd!”

Maar de kinderziel is niet alleen teer, hij is ook moeilijk te peilen. Tot een dag voor de intocht was Sinterklaas onzin, maar als hij dan toch in vol ornaat verscheen, sloeg de twijfel toe. Het bezoek van Sint zelf deed ook de laatste restjes twijfel als sneeuw voor de zon verdwijnen. “Ja Sinterklaas, nee Sinterklaas,” klonk het bedremmeld.

Hij had echter het pand nog niet verlaten, of ik hoorde alweer commentaar. “Zijn baard zat scheef.” “Volgens mij was het de buurman.” “Er zat een vlek op zijn jurk.” “Mam, Sinterklaas hoort toch geen gymschoenen te dragen?”

Op het moment dat ik dit schrijf, staan er honderden kinderen in Dokkum te wachten, aan de kade, op een boot die natuurlijk te laat komt. Het is vast hartstikke leuk. Maar o wat ben ik blij dat ik niet meer hoef!

#MeToo

Wie nu als een gek naar beneden wil scrollen om mijn treurverhaal te lezen: laat maar. Mij is niets ernstigs overkomen, alleen het gebruikelijke gedoe zoals hinderlijk volgen, schaamteloos becommentariëren en ‘complimentjes’ die ik maar beter onderdanig in ontvangst kon nemen omdat ik anders een eigenwijs kreng was. O ja, en opeens ook lelijk.

Eén verhaal is te mooi om niet te vertellen. Mijn vriendin en ik (beiden 16) mochten met twee jongens in hun auto meerijden naar de kroeg in een dorp verderop. Op de terugweg verlangde de chauffeur betaling in natura. Maar ik weigerde. De jongen ging steeds harder rijden en nam de bochten in de weg steeds krapper.

Mijn vriendin, op de achterbank met de vriend van de chauffeur, ging hem een beetje knijpen. “Toe nou maar! Straks krijgen we nog een ongeluk!” siste ze in mijn oor. Op een goed moment overspeelde de jongen achter het stuur zijn hand en vlogen wij met een vaart in een rozenperkje, in plaats van gewoon rechtsaf. Het was een beetje jammer van zijn auto, maar ons mankeerde gelukkig niets. Eind goed, al goed.

Maar wat schetst mijn verbazing, de vriendin vond dat het mijn schuld was. Ik had toch wel kunnen weten dat hij ‘er iets voor terug wilde’. Zo zie je maar weer: vrouwen zijn vaak elkaars ergste vijand.

Ik besef achteraf dat ik geluk heb gehad omdat er een rozenperkje lag en geen kanaal. En ik ben blij dat ik genoeg trots en zelfbewustzijn had om ‘nee’ te zeggen tegen avances die me niet bevielen.

Wat verkrachting en andere ernstige zaken betreft: ’t Is dat het niet mag, maar openbare schandpalen lijken mij best wel eens een goed idee. Ook voor mannen die aan hun gerief proberen te komen door manipulatie, het aanbieden van een al dan niet terechte promotie, of simpelweg een baan, zou ik met liefde een doos rotte eieren klaarzetten.

Maar iedere vrouw die daadwerkelijk carrière maakt via een bed, of een voldoende voor tentamens krijgt door seks te hebben met (meestal behoorlijk) ranzige mannen, valt ook wat aan te rekenen. Zij maakt het andere vrouwen moeilijk en houdt het achterlijke idee in stand dat vrouwen best wat seksuele diensten willen verlenen in ruil voor salarisverhoging of een goed cijfer.

En dat is een aspect dat ik mis bij #MeToo. Misschien dat we voor vrouwen die dat categorisch weigeren #NotMe kunnen reserveren.

Douceurtje

Het nieuwe kabinet is er bijna, zo lijkt het. In dat licht is het een beetje sneu dat Hennis-Plasschaert op de valreep struikelde over een paar granaten – of veel erger, over twee doden en een zwaargewonde – maar ja, dan moet je ook maar niet zo enthousiast bezuinigen.

En het leuke is, dat lijkt ook niet meer nodig, gezien de half miljard die het onderwijs er opeens bij krijgt. Er zijn nog meer leuke dingen in de maak. Je mag in het vervolg onbelast genieten van 30.000 euro spaargeld, deelde de VVD mee. En dat was een leuk douceurtje voor de middeninkomens die nu eindelijk maar eens moesten gaan merken dat het beter ging.

Ik kon mijn oren niet geloven. Mensen die 30.000 euro per jaar verdienen en een kapitaaltje hebben van 30.000 euro? Het kan, maar vaak zal het niet voorkomen, lijkt me. Het probleem van de middeninkomens was ook niet dat ze te veel rente moesten betalen over het geld op hun spaarrekening, maar dat ze gebukt gingen onder onzekerheid over hun baan.

Dit ideetje is natuurlijk ook helemaal niet voor de middeninkomens (of de VVD moet onderling verdeeld zijn over de vraag wanneer je een middeninkomen hebt) maar voor de hogere inkomens. En of die een gat in de lucht gaan springen bij een jaarlijks voordeel van 60 euro, waag ik oprecht te betwijfelen.

Een ding moet je de VVD nageven: ze slagen er elke keer weer uitstekend in om net te doen alsof ze hard in de weer zijn voor de Hardwerkende Nederlander. Of, zoals Rutte onlangs nader preciseerde: “De politieagent, de leraar en mensen die werken in de verzorging”. Laten dat nu net de beroepen zijn die van bovengenoemde maatregel in ieder geval nauwelijks iets gaan merken. In goed Nederlands heet dat: iemand blij maken met een dooie mus.

Kleding

De zomer (voor zover überhaupt aanwezig dit jaar) heeft plaatsgemaakt voor de herfst en dus is het tijd mijn garderobe aan te passen en – liefst – aan te vullen. Zodoende heb ik mij tot Zalando en de website van De Bijenkorf gewend.

Dat klinkt fashionista’s en hobbyshoppers waarschijnlijk als muziek in de oren, maar ik vind het een crime want ik moet mij nu virtueel onderdompelen in een zee van polyester en aanverwanten. En alles is te kort! Ik heb daarom een paar dringende vragen aan de kledingindustrie.

Eerst een vraag die overbleef uit de zomer: waarom gebruiken jullie polyester voor zomerjurken vanaf dertig graden? En nog gekker: waarom maken jullie zijden jurken met polyester voering? Zijde is zulk heerlijk zacht spul, en dan naai je er een laagje rommel tussen zodat je die zijde niet lekker op je huid kunt voelen. Zonde! Hetzelfde geldt voor katoenen en wollen jurken met polyester voering: niet doen!

Nog een vraag is waarom jullie kleding maken die je alleen kunt dragen als je een figuur hebt dat nog niet is aangetast door de tand des tijds, pech met je genen, of door McDonald’s. Bijvoorbeeld die dunne viscose-jurken die als een tweede huid zitten, en daardoor elke vetrolletje en bh-bandje zichtbaar maken. Zenuwslopend voor de draagster en ook voor de omgeving.

En wie heeft de 7/8 broek uitgevonden? Het lijkt altijd net alsof je hem te heet hebt gewassen, of alsof je onverwacht een verlate groeispurt hebt gehad. Broeklengtes zijn toch al een probleem met mijn 1.83m en broekspijplengte van 36 inch. Minstens 80% van het aanbod kan ik niet dragen. Nog een puntje van ergernis: ‘cropped’. Cropped bestaat niet! Het is gewoon te kort.

Met andere woorden: ga nu eens rekening houden met dat inmiddels niet onaanzienlijk deel van de vrouwelijke bevolking dat wèl langer is dan 1.80m. Lengtematen wil ik! We hebben toch ook breedtematen? Nou dan.

En nu we het toch over kleding hebben: hoera voor de HEMA! Weg met die roze terreur en met de pailletjes, kantjes, strikjes, roezeltjes en andere frutsels. Ik kom op 2 januari lekker bij jullie winkelen voor mijn kleindochters.

NIPT

Ik was 13 jaar toen mijn jongste broer werd geboren, mijn vierde broertje. Weer geen zusje dus, maar daar had ik me al bij neergelegd. Waar ik me niet meteen bij neerlegde was zijn Down-syndroom. Ik vond het al heel fideel van mezelf dat het deze keer ook wel weer een broertje mocht zijn, maar dit…!

Maar hoe gaat dat als je 13 bent, je went eraan en best snel ook. Na twee maanden gaf ik toe dat hij er ook niks aan kon doen, en na vier maanden was ik blij met hem. Gelukkig is hij ook heel blij met zichzelf, zeker als er een schommel in de buurt is, of voetbal op de televisie.

Ik moest daar aan denken toen ik het artikel van filosoof Marcel Zuijderland las in de NRC. Rap een beetje met die NIP-test, vindt hij, want de wereld is beter af zonder Down. Geïnteresseerd ging ik op zoek naar zijn argumentatie bij die stelling.

‘Liever een kind zonder Down-syndroom’, stelt Zuijderland, maar is dat hetzelfde als: mijn kind met Down-syndroom wil ik niet geboren laten worden? Het gaat immers niet om het Down-syndroom zelf, maar om het kind met dat syndroom? Een soortgelijke redenering wordt wel eens gebruikt bij een abortus of miskraam: ‘je kunt nog wel weer een kind krijgen’. Maar dat is onzin, dát ene kind krijg je nooit weer, en bovendien, wie garandeert je dat?

Terecht staat Zuijderland ook stil bij de rechtvaardiging van abortus op zich. Daarbij gaat hij alleen wel erg kort door de bocht: ‘Net zoals het voor geslachtscellen geen verschil maakt of hun potentie wordt gerealiseerd, geldt dat ook voor een foetus.’ Een zaadcel of een foetus van drie maand, dat lijkt me toch wel een heel groot verschil. Op dezelfde manier kun je ook een baby vergelijken met een volwassene: zal die zijn potentie ooit realiseren? En hoeveel volwassenen zijn er niet bij wie dat nooit lukt? En wat is dat eigenlijk, je potentie?

En dan deze: ‘Daarnaast gaat er voor een foetus niks verloren als het ophoudt te bestaan. Alleen voor wezens die voelend, denkend en handelend bij de wereld betrokken zijn staat er iets op het spel als hun voortbestaan een halt wordt toegeroepen.’ Wat zegt dat over baby’s, demente bejaarden, comateuze patiënten en ernstig verstandelijk beperkte mensen? Zuijderland spreekt zichzelf hier bovendien tegen. Een paar regels eerder schreef hij nog dat we dat nooit zouden toestaan bij kinderen die door een ongeval hersenletsel oplopen en daarmee hun zelfstandigheid, vermogen om te leren etcetera kwijtraken.

Zuijderlands toon is bovendien arrogant en neerbuigend. ‘Veel ouders zullen echter voelen dat ze hun kind in de steek laten met een abortus. Dat hoeft niet. Ze mogen zich bedenken dat ze afscheid nemen uit mededogen. Ze verstoten hun kind niet, maar voorkomen ‘slechts’ zijn geboorte in de wereld. Dat is nog steeds heel droevig, maar wel iets waar ouders zich beter mee kunnen verzoenen.’ Het zou zo uit de mond van een ouderwetse dominee kunnen komen, van die predikanten die ook altijd precies wisten hoe hun schapen met leed moesten omgaan, en wat ze wel en niet hoefden te voelen.

Ten slotte zou de samenleving beter af zijn zonder mensen met Down, stelt Zuijderland. Als argument geldt dat een directeur van een zorginstelling tegen hem zei: “Ik zou David graag een makkelijker en gelukkiger leven geven.” Ik ken David niet, maar ik ken heel veel mensen die ik graag een gemakkelijker en gelukkiger leven zou gunnen. Mensen met Down niet vaker dan mensen zonder.

Bovendien, waarom zou de samenleving beter af zijn zonder hen? Bereik je geluk door het vermijden van ongeluk en lijden? En wiens lijden moet vermeden worden, dat van mijn schommelende en voetbal kijkende broer?

Ik realiseer me heel goed dat handicaps – evenals ander ongeluk dat je kan overkomen- leed kunnen veroorzaken. Maar het leven is te complex om daar maar meteen uit de concluderen dat je er dan maar beter helemaal niet kunt zijn. En nu ga ik fijn schommelen met mijn broer.

Lichtpunt

Van veel kringloopwinkels word ik vrij treurig. Dat komt van de oude meubels die er worden verkocht, daarvan krijg ik de zenuwen. Opeens sta ik weer in de jaren ‘70, compleet met een standaard bankstel (twee- en driezits), degelijk eiken wandmeubel – met in menig gereformeerd gezin de Korte Verklaring als eind van alle theologische tegenspraak, alsmede het zondagse servies – en een met bruine of mosgroene tegels ingelegde salontafel.

Jaren ’70 servies is ook eng: bruine, oranje of mosgroene dikke keramiek met namaak-authentieke onregelmatigheden. En de polyester blouses met puntkragen in felle kleuren, de trainingspakken – vooral gedragen door mensen die nooit op sporten betrapt werden. En de strenge modevoorschriften: dragen die handel! Er was gewoon niks anders te koop…

In diezelfde periode leefde beppe nog, de oma van Echtgenoot, hoogbejaard en gek op familie. Op haar verjaardag werd de hele familie opgetrommeld – die elkaar trouwens toch al zeer regelmatig troffen bij beppe thuis, met Oom en Tante als bedienend personeel. Meest passende cadeautje: een kop en schotel. Niet dat beppe daaraan gebrek had, integendeel, maar wat moest je anders?

Met lichte schaamte togen wij naar de Blokker om daar een kop en schotel aan te schaffen, bij voorkeur met bloemetjes en gouden randjes. Inpakken en wegwezen. Beppe blij, en wij met haar.

?

Diezelfde kopjes zie ik nu terug in mijn favoriete kringloopwinkel Het Lichtpunt te Kollumerzwaag. (Favoriet omdat de afdeling meubilair daar eenvoudig is te vermijden). Of beter nog, servies van nog eerder: de jaren ’50. Wat waren dat snoepige jaren qua aankleding! Fijne pastelkleuren, mooie vormen, lieve randjes. Complete serviezen staan er, die ik tot nu toe heb laten staan want niet voor in de vaatwasser.

Natuurlijk, ik zou ook in de jaren ’50 nog niet dood gevonden willen worden, al was het maar vanuit feministische overwegingen. Maar vervelende herinneringen heb ik er niet aan, want ik bestond nog niet. Ik ben blij dat het servies uit die tijd in ieder geval is bewaard.

De jongens van Sire

Arme jongens van Sire, maak je volkomen belangeloos een reclamefilmpje, is het weer niet goed. Maar ze hadden het kunnen weten, wie iets roept over mannen of vrouwen maakt altijd wel iemand boos.
child-1539341_960_720
De bedoeling was goed: aandacht vragen voor jongens en hun eigenaardigheden. Eeuwenlang, nee millennia lang, waren mannen in het voordeel maar door aanstormende vrouwen gaan ze zo langzamerhand de trekken vertonen van een bedreigde diersoort. En omdat SIRE een ideële instelling is, dacht het zijn doelgroep gevonden te hebben.

Iedereen vindt er iets van: verongelijkte leraren, boze feministen, verontwaardigde homo’s, jongensmoeders, en mannen die van vrouwendingen houden.

Als feminist en moeder van vijf zoons, bevind ik mij doelgroepsgewijs in een lastige positie. Want inderdaad klagen mannen wel erg hard nu het even tegenzit. Maar jongens hebben het ook een stuk moeilijker gekregen en dat dat helemaal niets te maken heeft met scholen die een vrijwel geheel vrouwelijk onderwijzers- en lerarenkorps hebben, kan ik mij nauwelijks voorstellen. Of dat nu wetenschappelijk onderzocht is of niet.

Wat mij ook opvalt is dat christenen – en dan vooral de meer orthodoxe broeders en zusters – nogal fel reageren op de discussie over de geslachten. ‘We zijn als man en vrouw geschapen!’ roepen ze. Onmiskenbaar. Maar waarom volgt daaruit dat vrouwen DUS heel anders zijn dan mannen? Waarom zou uitgerekend dàt zo’n Bijbelse gedachte zijn? Speelt de omgeving dan geen rol en is het allemaal aanleg? Ik geloof er niets van. En waar bestaan die grote verschillen eigenlijk precies uit? Een zelfgebakken appeltaart voor wie mij dat kan vertellen.

Ook een oude bekende: ‘We zijn gelijkwaardig maar niet gelijk!’ Nee, dat geloof ik graag, maar dat geldt ook voor twee jongens, of twee meisjes. Bovendien krijg ik altijd hevige jeuk van deze bewering omdat hij niet zelden gevolgd wordt door de mening dat vrouwen daarom van alles en nog wat niet zouden mogen of kunnen.

Wat mij wel een Bijbelse gedachte lijkt, is dat je dat kind dat je van God gekregen hebt – of het nu een meisje of een jongen is – zo goed mogelijk leert kennen. En dan kom je er vanzelf achter waar zijn of haar talenten liggen, en waar hij of zij blij van wordt. Ook als dat betekent dat een jongen even lekker kan uitrazen, of juist liever boeken leest. Als de meisjes ook maar boompje mogen klimmen, of juist het roze of eventueel blauwe prinsesje uithangen. En daar mag het volgende filmpje van Sire over gaan. Weg met de stereotypen!