Draagmoeder

Het is een Oudhollands recept om niet-materiële onderwerpen aan te kaarten: ‘Wij willen het, het kan, maar van de wet mag het nog niet’. Tegenstanders zijn mensen die het niet begrijpen omdat ze het zelf niet hebben meegemaakt, of mensen die van hun religie niet zelf mogen nadenken.

Dat frame wordt gebruikt voor veel onderwerpen: abortus, euthanasie voor mensen die niet zelf kunnen beslissen, en ook voor de huidige discussie: draagmoederschap. Stuk voor stuk zijn het complexe zaken die een betere behandeling verdienen dan bovenstaande redenering met als kernwoord: ‘nog’.

Neem het laatste voorbeeld: een kliniek voor draagmoederschap voor homostellen in Nederland. Of het nu voor homo- of heterostellen is, ik vind dat hele draagmoederschap maar knap ingewikkeld. Dat ik zelf kinderen heb gebaard, maakt de kwestie er volgens sommigen niet eenvoudiger op: wie ben ik wel dat ik me hier een mening over aanmatig…? Dat is een eenzijdige redenering, want voor hetzelfde geld zou je juist wel zelf kinderen gebaard moeten hebben om je er een mening over te kunnen vormen, maar dat terzijde.

Ook een regelmatig gehoord argument is dat juist christenen hier geen probleem mee zouden moeten hebben omdat Lea en Rachel ook hun slavinnen gebruikten als draagmoeder. Alsof het loutere feit dat het in de Bijbel staat ‘geen-bezwaar’ zou betekenen. Kom er maar in, theologen!

Maar ik heb wel bezwaar. Draagmoederschap is een typisch voorbeeld van instrumentalisering van het vrouwelijk lichaam, waarvoor ingeburgerde termen als ‘reproductie’ typerend zijn. Maar zwangerschap is niet alleen maar ‘een kind voortbrengen’, net zoals abortus meer is dan ‘zwangerschapsweefsel verwijderen’.

Natuurlijk zullen er altijd vrouwen zijn die geheel uit eigen beweging voor iemand een kind willen baren. En als het bijvoorbeeld een zus is, kan ik me dat misschien nog een klein beetje voorstellen ook. Maar met het huidige primaat van het economisch denken ben ik er niet gerust op.

Een kind is geen bezit en ook geen recht, al lijkt het daar soms verdacht veel op. En een vrouwenlichaam kan niet zo maar in de verhuur worden gedaan, ook niet als ‘de begeleiding goed geregeld is’, zoals geruststellend werd meegedeeld.

Ik kan het niet helpen maar ik moet steeds maar denken aan The handmaids tale. Dat mag dan een dystopie zijn waarvan de kans dat hij ooit uitkomt heel gering is, wie precies de nieuwe bazen worden, maakt voor de slaven over het algemeen weinig uit.

Voucher

Ooit ging je naar de markt en kocht daar wat je nodig had. Toen kwam de supermarkt, en met de supermarkt kwamen de zegeltjes. Maar daar bleef het natuurlijk niet bij. Inmiddels is het zegeltjessysteem grotendeels vervangen door de klantenpas, die je niet zelden ook nog eens online moet registreren, onder dreiging van het mislopen van voordeeltjes.

Als je tegen elke klantenpas die je wordt aangeboden ja zegt, kun je inmiddels een extra tasje met pasjes meezeulen. “Hebt u onze klantenpas nog niet?” “Nee.” “Wilt u onze klantenpas?” “Nee.” Soms tref je een volhoudend exemplaar aan die dan alle voordelen van de klantenpas wil opnoemen. Doe maar niet.

Nu heeft de praktijk inmiddels uitgewezen dat de meeste van die voordelen voor mij volstrekt oninteressant zijn. Als ik een brood koop, hoef ik daar geen koek bij, of – erger nog – als ik bij de Hema een onderbroek koop, zit ik niet noodzakelijkerwijs te wachten op een fles shampoo. Iets gratis ergens bij krijgen is wat mij betreft de meest stompzinnige vorm van reclame. ‘Koop een auto en krijg daar een reisje Brazilië bij’. Maar ik wil helemaal niet naar Brazilië.

En dan is er nog de categorie kleine lettertjes en speciale voorwaarden. Zo bezochten Echtgenoot en ik onlangs Hudson’s Bay in Maastricht. Je krijgt daar pas toegang tot het toilet nadat je 50 cent hebt betaald, bij zo’n poortje met klaphekje. Ik kan daar in principe zo overheen stappen, maar tot nu toe hebben geweten en goede zeden mij belet daarvan gebruik te maken.

Nu vind ik 50 cent betalen voor toiletgebruik geen enkel probleem, zeker niet als daar een toiletjuffrouw bij zit. Maar die soort lijkt uitgestorven, wat alleen al cultuurtechnisch een groot verlies is. Ervoor in de plaats kwam de voucher: ‘ga plassen en daarna koffiedrinken in een restaurant’. Ja, zo houd je je klandizie wel aan de gang.

Ergerlijker was in dit geval dat het bonnetje alleen inwisselbaar bleek bij een La Place-vestiging in een Hudson’s Bay-winkel. Want onderweg aangekomen bij een La Place langs de snelweg bleek het bonnetje niet geldig. “Dit kunnen wij niet scannen, mevrouw”, zei het schaap achter de kassa. “Maar er staat toch La Place”, hield ik vol.

De chef van het schaap legde mij uit dat er op een bord bij de ingang van het pand weliswaar stond dat je overal La Place-vouchers kon inwisselen behalve op NS-stations en vliegvelden, maar dat hier immers ook nog Hudson’s Bay op stond. Die logica ontging mij.

Inmiddels had ik de neiging gekregen al die vouchers ritueel te verbranden, dan wel met spuug op de ramen van het snelwegrestaurant te plakken, maar ook ditmaal weerhielden geweten en goede zeden mij daarvan.

Ik heb er wel van geleerd. Ik weiger in het vervolg elke voucher. Ik betaal voor wat ik wil kopen en ik hoef verder helemaal niks. Geen pas, geen voucher, geen tegoedbon. Dan maar geen gratis knakworst.

Bedrijfsleven

Eindelijk, de dividendbelasting wordt toch niet afgeschaft. Rutte is bij zinnen gekomen. Dat dacht ik toen ik alleen de kop las. Maar toen las ik verder: het geld dat daarmee ‘bespaard’ wordt, gaat naar het bedrijfsleven, naar het vestigingsklimaat, what ever that may be. En toen moest ik even heel hard mijn best doen om niet te vloeken.

De publieke sector wankelt op haar voeten. Overbelast, onderbetaald en zwoegend onder de protocollen. Maar Rutte vindt dat het bedrijfsleven 2 miljard euro nodig heeft. Waarvoor?

Om de salarissen aan de top nog wat op te schroeven? Om juristen in te huren die mensen nog een beetje sneller kunnen wegwerken als ze te oud worden of wel eens ziek zijn? Om door belastingconsulenten de laatste mazen in de wet te laten zoeken, of nog onontdekte belastingparadijzen te laten opsporen?

Misschien kan het bedrijfsleven investeren in robots om nog wat goedkoper te kunnen produceren. Of op zoek gaan naar landen waar je nog ongestoord je giftige afval kunt dumpen. Het kan voor dat extra geld communicatiemedewerkers inhuren die in glanzende brochures lulkoek schrijven over duurzaamheid. Niet dat het bedrijfsleven dat echt belangrijk vindt… maar het lijkt wel mooi.

En nu het bedrijfsleven dit douceurtje tegemoet kan zien, heb ik nog wel wat suggesties die ook geld voor het bedrijfsleven kan opleveren. Schaf bijvoorbeeld de ggz en jeugdhulp af. Je kunt immers net zo goed naar je buurvrouw voor advies? We moeten gewoon wat meer op elkaar letten, zei onlangs VVD’er Onno Hoes, die zich twee jaar met ‘verwarde mensen’ heeft beziggehouden. Participeren, mensen! Heel gemakkelijk. We moeten weer wat meer oog voor elkaar krijgen. Dat is ook goedkoper.

Ik zou ook nog wat korten op de thuiszorg en de kinderopvang. Jij kunt best de ramen van je buurvrouw lappen en haar af en toe eens onder de douche zetten, je kinderen gaan maar naar je moeder. En waarom is het onderwijs nog niet geprivatiseerd? Of is het daar nog niet excellent genoeg voor?

Misschien kan het bedrijfsleven de publieke sector gaan sponsoren. Daar heeft het straks genoeg geld voor.

Wielrenbroekje

Meestal sla ik moderubrieken over. Af en toe maak ik een uitzondering voor vooruitblikken als ‘We gaan groen-oranje strepen dragen in de herfst!’ of ‘Paars is het nieuwe zwart’. Het verslag in de Volkskrant van de fashionweek in Milaan echter vermocht mijn aandacht iets langer vast te houden. Reden: de woorden ‘wielrenbroekje’ en ‘glitterkilt’.

Ik sloot even de ogen en zag meteen hordes dames op middelbare leeftijd in wielrenbroekjes – vergezeld van heren in glitterkilt – in lange rijen over de stoep lopen. De horror. Maar de opzet was geslaagd, ik las verder.

Eerst de foto’s bekijken want beeld, daar gaat het bij mode toch om. Het was even doorbijten. De eerste dame droeg inderdaad een wielrenbroekje, zo’n strak geval met pijpjes tot halverwege de knieën, zeg maar een korte legging. Alsof we er daar niet al genoeg van hebben! Nu was dit nog zo’n meisje dat er ook in een jutezak en met een kaal hoofd nog appetijtelijk uitzag.

Het was de foto daaronder die me pas echt een hartverzakking bezorgde: was het wielrenbroekmodel nog gewoon slank, deze was graatmager. Ik werd een beetje misselijk. Armen en benen als stokjes, en geen boezem te bekennen (of die moest net onder een soort riem verdwenen zijn). Jukbeenderen die een paar centimeter uitstaken en holle ogen. Wanneer had de stakker de laatste keer gegeten? Vorige week?


Verder lezend en kijkend vroeg ik me voor de zoveelste keer af hoeveel stappen er tussen de modeshows en de kledingwinkels bij mij in de stad zitten. Minstens tien, schat ik, en terecht. Van de kledingstukken op de catwalk kan ik geen chocola maken. Ik zie mezelf in ieder geval nog niet lopen in een bruin badpak met een zalmkleurig satijnen rokje er schuin overheen geknoopt. En met afgezakte pantykniekousen in torenhoge rode stiletto’s erbij. Toegegeven, ik ben wel een stuk dikker dan het arme gratenmeisje.

Maar die wielrenbroekjes, daar ben ik nog niet zo zeker van. Die hangen vast vanaf volgend jaar bij duizenden in de rekken. “Kijk”, zegt zo’n winkelmeisje dan met een ijzeren glimlach, “Die draag je bij een bruin badpak.” En dan zwaait ze die sierlijk voor mijn neus.
“Nee,” zal ik dan naar waarheid antwoorden. “Dat mag ik niet van mijn moeder.”

Emocratie

De berichtgeving rond Lily en Howick en de reacties daarop, op met name Twitter, kenmerkt zich door grote woorden door de meest uiteenlopende mensen. Prinses Laurentien bijvoorbeeld had ook een mening over de kwestie, en die was blijkbaar zo belangrijk dat ze ermee in het NOS-journaal kwam.

In de reacties op Twitter krijgt vooral de ChristenUnie ervan langs. De politici van deze partij weten niet meer van genade, de CU moet meteen uit de regering stappen, mensen zeggen hun lidmaatschap van de partij op, en iedereen die in Nederland wil blijven moet dat mogen. Nou ja, bijna iedereen. Maar in ieder geval de mensen voor wie wij sympathie hebben, of van wie we weten hoe ze er uit zien.

Vooropgesteld: natuurlijk moesten Lily en Howick een verblijfsvergunning krijgen. Je kunt kinderen niet eerst tien of twaalf jaar hier laten opgroeien om ze vervolgens uit te zetten. De overheid zou eindelijk eens iets aan de procedures moeten doen, en eens behoorlijk investeren in mensen die ze moeten uitvoeren. Zoals deze twee kinderen zijn er immers nog 400.

De verontwaardiging beperkt zich echter voornamelijk tot de twee kinderen wier gezichten niet meer uit de media te branden waren. De enkeling die het (terecht) waagde vraagtekens te stellen bij de houding en handelwijze van de moeder kreeg een grote bak stront over zich heen. Die was geen christen, of een hypocriet, die kende de Bijbel en al helemaal het begrip genade niet en werd bij wijze van stoomcursus met teksten om de oren geslagen.

Ik vind het erg jammer dat zulke publieke verontwaardiging nooit eens ten goede komt aan al die kinderen die opgroeien in gezinnen met schulden. Of aan kinderen die van tehuis naar tehuis gaan omdat er weer eens bezuinigd moet worden. Of aan de duizenden kinderen die noodgedwongen thuiszitten omdat er geen school is die ze wil of kan opnemen.

Maar dat zijn kinderen zonder naam, we weten niet hoe ze eruit zien, we kennen ze niet. Misschien zijn het ook wel kinderen die we niet zo sympathiek vinden. Kinderen met gedragsproblemen bijvoorbeeld, of met een laag IQ.

Het is een zorgelijk fenomeen, die mediahypes die vooral drijven op beelden en inspelen op de emotie. Ze werken alleen voor ‘ons soort mensen’, de mensen met wie we ons verwant voelen. Het kost ons niets, het vraagt geen werkelijke inzet, geen energie, je hoeft er niet voor te betalen, en nog een bonuspunt: je staat automatisch aan de goede kant! Zouden kinderen die er een potje van maken ook zo zijn gesteund? Of is de genade er niet voor hen?

Er wordt aan de linkerzijde van het politiek spectrum veel en terecht geklaagd over het rechts-populisme dat op de onderbuik inspeelt. Maar wat hier gebeurd is, heeft net zo goed met de onderbuik te maken als de retoriek van de PVV.
Het wordt weer tijd voor echte politiek. Op basis van een brede visie op wat goed is voor de samenleving bepalen welke kant je op wilt, in plaats van op je emoties drijven. Dan komt het niet alleen voor kinderen als Lily en Howick in orde, maar ook voor de naamloze duizenden om wie de publieke opinie zich nu niet bekommert.

Dit stuk verscheen eerder in het Friesch Dagblad

Kamerplant

De zomer is voorbij, in ieder geval in mijn hoofd. Het wordt dan wel 24 graden dit weekend, maar wat de temperatuur van plan is, zal me worst wezen. Het is dit weekend september en daar heeft het weer zich maar aan te houden.

Zoals altijd in deze tijd van het jaar bekommer ik me weer wat meer om het interieur van het huis. Zo heb ik vanmorgen eigenhandig prullaria afgestoft en de open kast anders ingedeeld. Voor sommige mensen is dat een wekelijkse klus, bij mij vindt dat hooguit tweemaal per jaar plaats.

De aanleiding is vaak het bezoek aan vrienden. Wat is het daar toch gezellig, en wat is het bij mij toch saai. Ondanks bezweringen hunnerzijds dat dit geenszins het geval is, bleef ik twijfelen. Het is te kaal, besloot ik. Er moet iets levends bij, iets kleurigs. Toen viel het kwartje. Een kamerplant!

Op naar een grote plantenfirma, dus. Maar dat had ik beter niet kunnen doen. Sinds ik in de jaren ’90 afscheid nam van het fenomeen kamerplant is er vrijwel niets veranderd. Er zijn nog steeds van die palmbomen te koop, varens, azalea’s, cyclamen, aronskelken en – de heks onder de kamerplanten – sansevieria’s.

Azalea’s en cyclamen herinneren me aan de diepe treurnis van de interieurs uit de jaren ’70. Aronskelken doen me aan begrafenissen denken en palmbomen vind ik zielig want die horen aan het strand te staan. Toppunt van kamerplantenellende is overigens de kamerden, daar word ik altijd erg verdrietig van. Varens zijn op zich nog wel leuk, maar die gaan bij mij het snelste dood van allemaal. Aan de sansevieria wijd ik hier verder geen woorden, vrouwentongen heten ze ook wel. I rest my case.

Op dit moment heb ik nog maar één kamerplant in mijn bezit: een lidcactus die weigert te sterven. Soms vergeet ik weken achtereen om hem water te geven maar de enige reactie is knopvorming. Dat is dan wel weer leuk.

Verder heb ik een plantje waarvan ik dacht dat er eetbare vruchtjes aan kwamen. Quod non. En een hortensiaatje dat ik vorig jaar na de bloei buiten had gezet en die dit voorjaar gewoon weer ging bloeien. En dat doet hij nog steeds.

Eigenlijk is het de goden verzoeken als ik een kamerplant koop. De kans dat ik over zes weken nog steeds een kamerplant heb, is vrij klein, weet ik uit ervaring. Nu ben ik dus op zoek naar een kamerplant die mij niet doet herinneren aan de jaren ’70, die niet overduidelijk staat te smachten naar de plek waar hij thuishoort, die er niet uitziet alsof hij mij elk moment kan aanvallen, en die oer- en oersterk is. Tips welkom!

“REIβVERSLUSS!!”

Het enige wat ik op Duitsland tegen heb, is dat het tussen Nederland en Denemarken ligt. Ik vind het prima dat Duitsland bestaat, maar er doorheen rijden is een drama, met name bij Bremen en Hamburg.

Al vanaf 1971, de eerste keer dat ik samen met ouders en broertjes op vakantie ging naar Denemarken, bleek Duitsland een obstakel van formaat. De stad Hamburg was de nachtmerrie van mijn vader want de snelweg was nog niet uitgevonden. De kunst was het centrum van de stad te vermijden, wat niet altijd lukte. Een verkeerde afslag was zo genomen, en zie er dan nog maar eens uit te komen. Zwetend zat hij achter het stuur, mijn moeder nagelbijtend en aanwijzingen gevend ernaast, de kaart op schoot.

Toegegeven, dat is een stuk verbeterd. Tegenwoordig rijd je royaal om de stad heen. Maar om de een of andere reden is het nooit klaar, al die wegenbouw. Ik weet niet hoe die Duitsers het doen, maar elke zomer als Echtgenoot en ik naar Denemarken rijden, komen we minstens zeven punten voorbij waar mensen aan het werk zijn, en altijd is het bij Bremen en Hamburg. Met graafmachines, asfaltschrapers, vrachtwagens die af en aan rijden, gele strepen op de weg, en borden, heel veel borden met aanwijzingen.

Een van die aanwijzingen is dat je bij een wegversmalling moet ritsen: een Reißverschluss. Nu wist ik nog niet dat ritsen zo heette in het Duits, totdat een boze Duitser die achter het stuur van een grote auto zat (waarom hebben Duitsers toch altijd van die grote auto’s?) mij het woord woest in het gezicht slingerde, een beetje krijsend zoals Duitsers dat kunnen: “REIβVERSLUSS!!” Het woord leent zich goed voor krijsen, trouwens.

Er zaten nog een vrouw en twee kinderen in zijn grote auto, die bovendien tot de nok was volgepakt met vakantiespullen. Misschien moest hij nog wel heel ver, en had hij ook nog op een partij gestemd die beloofd had een einde te maken aan de eeuwige verkeersopstoppingen rond zijn stad maar had die partij het niet gehaald. Wellicht ook had hij al drie keer op rij moeten wachten omdat andere auto’s hem er niet tussen lieten. Je weet het niet.

Toch bleef zijn “Reißverschluss”-kreet hangen. Elke keer als er weer eens geritst moest worden, kreeg ik de aanvechting het autoraampje omlaag te laten zoeven en dan op hoge toon “REIβVERSLUSS!!” te krijsen. Bij voorkeur tegen een BMW, een Audi of een Mercedes.

Die verleiding bleef tot wij opeens de grens met Denemarken overgingen. Nou ja, opeens is wat veel gezegd want de Denen controleren weer bij de grensovergang (lees: kijken even in de auto) en dat betekende de zoveelste file. Na die ergernis reden we een relaxt en Reißverschluss-vrij land binnen. Heerlijk.

Hittehater

Heet heter heetst. Het zijn droevige dagen voor een hittehater als ik.

Langzamerhand verlies ik mijn gevoel voor decorum, nu ik gekleed in een jurk die NIET tot aan de grond reikt boodschappen ben gaan doen. Ik heb mezelf ooit beloofd dat ik dat nooit zou doen maar het weer is sterker dan ik.

Make-up? Doorgelopen. Waterproof is ook niet meer wat het geweest is.
Haar? Bij elkaar geknoopt tot een knotje bovenop mijn hoofd. Met mijn grijzende haar lijk ik meer dan ooit op een oma en daar word ik ook nog eens steeds aan herinnerd door Kleindochter die bij ons logeert.

En dan de ouderlijke plichten: morgen moet ik Zoon III plus echtgenote ophalen vanaf Schiphol. Twee uur heen en twee uur terug in de auto. Erger nog, over een week of wat gaan we op vakantie. Ik zie er nu al tegenop want met de auto. Ik ga mijn testament maar vast schrijven.

De Volkskrant meldt vandaag dat hitte ook ‘mentale’ invloeden heeft. En dat klopt, kan ik u vertellen. Bij mij varieert dat van ernstig geheugenverlies (nog erger dan bij normale temperaturen) tot een kort lontje aan het eind van de dag, en trouwens ook aan het begin.

Gelukkig hebben we een ventilator die de kracht heeft van een straaljager. Hij staat op stand 3 en dat houden we voorlopig zo. Er staat voor twee weken ijs in de vriezer en we eten voor de zesde keer salade.

Als de onheilsklimaatprofeten het bij het rechte eind hebben (en dat staat inmiddels wel vast), gaan deze temperaturen in de toekomst steeds vaker voorkomen. Mogelijkheden om in ieder geval de nadelen qua uiterlijk en decorum te beperken: make-up laten tatoeëren, haar verven en/of kort knippen, en zeven witte enkellange djellaba’s kopen, voor elke dag in de week één. Er zit straks niks anders meer op.

Boerka

Het boerkaverbod is er door. En het is een merkwaardig geval geworden, zoals de meeste wetten die worden gemaakt om een door de meerderheid ongewenste uiting te verbieden, met tal van voor de hand liggende uitzonderingen zoals gezichtsbescherming bij sporten. Dat krijg je ervan als je alles juridisch wilt oplossen.

Ongewenst, dat is een boerka wat mij betreft zeker, evenals de niqaab. En nu ik toch bezig ben, alle kledingvoorschriften voor vrouwen waarmee ze verantwoordelijk worden gemaakt voor de gevoelens van anderen, zijn uit den boze. Negen van de tien keer gaat het immers over de seksuele aantrekkingskracht van vrouwen op mannen, waarvoor niet de laatsten maar de eersten verantwoordelijk worden geacht.

Vrijwel elke cultuur of religie legt vrouwen allerhande regels op die hun gedrag en kleding bepalen. In streng-christelijke kring dragen meisjes en vrouwen een rok die ook nog eens een bepaalde minimum lengte moet hebben. Ik weet er alles van, op mijn gereformeerde middelbare school stonden wij meisjes ons in de jaren ‘70 nog in de garderobe om te kleden. Je lange broek aanhouden, betekende nablijven en strafwerk.

De hoofddoek is er ook een voorbeeld van. In alle soorten en maten, losjes achterop het haar hangend of strak om het hoofd gebonden. Er zijn zelfs moslima’s die behalve de niqaab ook nog handschoenen dragen, om maar geen huid te laten zien.

Mannen daarentegen wordt meestal geen strobreed in de weg gelegd. Sterker nog, zij zijn degenen die bepalen waaraan vrouwen moeten voldoen. En er zijn altijd wel vrouwen te vinden die hen daarbij een handje willen helpen want zo werken machtssystemen nu eenmaal. Knappe man die het voor elkaar krijgt vrouwen regels op te leggen, als die vrouwen daar niet zelf aan meewerken.

Over het algemeen zijn vrouwen uit die kringen de eersten die het gebruik van het betreffende kledingstuk verdedigen als zijnde een eigen keus. En dat is ongetwijfeld geregeld het geval. De vraag is alleen of vrouwen in hun omgeving er ook helemaal vrij voor of tegen mogen kiezen.

Het probleem is uiteindelijk niet de kleding zelf, maar de religies en culturen die vrouwen als tweederangs beschouwen. Niet met het woord natuurlijk, maar wel in de daad. De woorden zijn meestal niet het probleem, er worden vaak roerende volzinnen gesproken over vrouwen, zeker in het openbaar. Vrouwen zijn geweldig! Zolang ze zich aan de regels houden, in ieder geval.

Die bekrompen visie op vrouwen blijft niet beperkt tot religies, al schijnen nogal wat mensen te denken van wel. Van vrouwen verwachten dat ze er te allen tijde fris en fruitig uitzien, is evenzeer cultureel opgelegd. Vrouwen dienen slank te zijn (met uitzondering van de cupmaat), strak in het vel te zitten en een volle haardos te hebben. Zo’n beetje als een meisje van 18, maar dan eeuwig.

Mannen worden interessant als ze grijs haar en rimpels krijgen, een vrouw wordt gewoon oud. Mannen mogen best een buikje hebben, vrouwen dienen ook na het derde kind nog strak in het vel te zitten. En cosmetisch artsen zijn er als de kippen bij om je een handje te helpen.

Vrouwen worden langs een strenge meetlat gelegd. En het ergste is, ze doen er zelf het hardste aan mee. Geen strengere rechters dan vrouwen onderling, geen wredere oordelen dan de oordelen die vrouwen over elkaar uitspreken. Overal, zowel waar hoofddoek en lange rok ‘verplicht’ zijn, als waar de modepolitie rondwaart.

Het boerkaverbod schiet dan ook zijn doel voorbij – hoezeer die mijn onderbuik ook aanspreekt. Vrouwen moeten zichzelf bevrijden. Van de hoofddoek, van de verplichte lange rok en van het vereiste perfecte uiterlijk. En van elkaar. Ik blijf hopen.

Kervel

Kervel, bieslook en pepermunt, de heilige drie-eenheid van Sint Kruudmoes, staan weer in volle glorie in mijn moestuintje van twee vierkante meter. Wat moet ik met zo’n stukkie, dacht ik eerst, maar dat bleek ten onterechte. Wat moet ik zonder, denk ik nu.

Aan pepermunt is makkelijk te komen, zeker sinds de muntthee definitief zijn intrede heeft gedaan in het Nederlandse terraswezen. Kruizemuntblad is een goed alternatief (nee, hipstertheedrinker, kruizemunt is geen Marokkaanse munt maar gewoon kruizemunt).

Bieslook is ook geen vreemde meer. Maar kervel, kom daar eens om in de noordelijke streken. Negen van de tien keer hebben ze er hier niet van gehoord. De omissie! Wat een zegen is het kervel te kunnen plukken van je eigen grond. De heerlijke anijsachtige geur verspreidt zich meteen en in gedachten zie ik de kruudmoes al pruttelen.

Kruudmoes – ook dat moet de noorderling eerst worden uitgelegd – is het verrukkelijkste eten wat er maar bestaat. Kruudmoes, dat is logeren bij opa en oma, zien dat de kruiden in de opa’s moestuin hoog genoeg staan voor de oogst, daarna flessen karnemelkse pap in de koelkast zien staan, alsmede een Gelderse rookworst.

En opa’s moestuin, zo stelde ik me het paradijs voor. Er stonden aardbeien in, een struik kervel, een flinke pol bieslook, en pepermuntplant in een oude bodemloze emmer, om al te uitbundige verspreiding te voorkomen. Opa wreef altijd een blaadje pepermuntblad fijn tussen zijn vingers en liet me eraan ruiken: net als de pepermuntjes in de kerk!

Bij een paradijselijke tuin hoort paradijselijk eten. En daarom eten wij sinds jaar en dag minstens vier keer per zomer kruudmoes. Want ondanks dat een schooljuf me ooit vertelde dat de hemel er geenszins uitzag als opa’s moestuin maar meer als een soort eeuwige kooruitvoering, houd ik me toch maar vast aan opa’s moestuin. Zingen kan altijd nog.