Emocratie

De berichtgeving rond Lily en Howick en de reacties daarop, op met name Twitter, kenmerkt zich door grote woorden door de meest uiteenlopende mensen. Prinses Laurentien bijvoorbeeld had ook een mening over de kwestie, en die was blijkbaar zo belangrijk dat ze ermee in het NOS-journaal kwam.

In de reacties op Twitter krijgt vooral de ChristenUnie ervan langs. De politici van deze partij weten niet meer van genade, de CU moet meteen uit de regering stappen, mensen zeggen hun lidmaatschap van de partij op, en iedereen die in Nederland wil blijven moet dat mogen. Nou ja, bijna iedereen. Maar in ieder geval de mensen voor wie wij sympathie hebben, of van wie we weten hoe ze er uit zien.

Vooropgesteld: natuurlijk moesten Lily en Howick een verblijfsvergunning krijgen. Je kunt kinderen niet eerst tien of twaalf jaar hier laten opgroeien om ze vervolgens uit te zetten. De overheid zou eindelijk eens iets aan de procedures moeten doen, en eens behoorlijk investeren in mensen die ze moeten uitvoeren. Zoals deze twee kinderen zijn er immers nog 400.

De verontwaardiging beperkt zich echter voornamelijk tot de twee kinderen wier gezichten niet meer uit de media te branden waren. De enkeling die het (terecht) waagde vraagtekens te stellen bij de houding en handelwijze van de moeder kreeg een grote bak stront over zich heen. Die was geen christen, of een hypocriet, die kende de Bijbel en al helemaal het begrip genade niet en werd bij wijze van stoomcursus met teksten om de oren geslagen.

Ik vind het erg jammer dat zulke publieke verontwaardiging nooit eens ten goede komt aan al die kinderen die opgroeien in gezinnen met schulden. Of aan kinderen die van tehuis naar tehuis gaan omdat er weer eens bezuinigd moet worden. Of aan de duizenden kinderen die noodgedwongen thuiszitten omdat er geen school is die ze wil of kan opnemen.

Maar dat zijn kinderen zonder naam, we weten niet hoe ze eruit zien, we kennen ze niet. Misschien zijn het ook wel kinderen die we niet zo sympathiek vinden. Kinderen met gedragsproblemen bijvoorbeeld, of met een laag IQ.

Het is een zorgelijk fenomeen, die mediahypes die vooral drijven op beelden en inspelen op de emotie. Ze werken alleen voor ‘ons soort mensen’, de mensen met wie we ons verwant voelen. Het kost ons niets, het vraagt geen werkelijke inzet, geen energie, je hoeft er niet voor te betalen, en nog een bonuspunt: je staat automatisch aan de goede kant! Zouden kinderen die er een potje van maken ook zo zijn gesteund? Of is de genade er niet voor hen?

Er wordt aan de linkerzijde van het politiek spectrum veel en terecht geklaagd over het rechts-populisme dat op de onderbuik inspeelt. Maar wat hier gebeurd is, heeft net zo goed met de onderbuik te maken als de retoriek van de PVV.
Het wordt weer tijd voor echte politiek. Op basis van een brede visie op wat goed is voor de samenleving bepalen welke kant je op wilt, in plaats van op je emoties drijven. Dan komt het niet alleen voor kinderen als Lily en Howick in orde, maar ook voor de naamloze duizenden om wie de publieke opinie zich nu niet bekommert.

Dit stuk verscheen eerder in het Friesch Dagblad

Kamerplant

De zomer is voorbij, in ieder geval in mijn hoofd. Het wordt dan wel 24 graden dit weekend, maar wat de temperatuur van plan is, zal me worst wezen. Het is dit weekend september en daar heeft het weer zich maar aan te houden.

Zoals altijd in deze tijd van het jaar bekommer ik me weer wat meer om het interieur van het huis. Zo heb ik vanmorgen eigenhandig prullaria afgestoft en de open kast anders ingedeeld. Voor sommige mensen is dat een wekelijkse klus, bij mij vindt dat hooguit tweemaal per jaar plaats.

De aanleiding is vaak het bezoek aan vrienden. Wat is het daar toch gezellig, en wat is het bij mij toch saai. Ondanks bezweringen hunnerzijds dat dit geenszins het geval is, bleef ik twijfelen. Het is te kaal, besloot ik. Er moet iets levends bij, iets kleurigs. Toen viel het kwartje. Een kamerplant!

Op naar een grote plantenfirma, dus. Maar dat had ik beter niet kunnen doen. Sinds ik in de jaren ’90 afscheid nam van het fenomeen kamerplant is er vrijwel niets veranderd. Er zijn nog steeds van die palmbomen te koop, varens, azalea’s, cyclamen, aronskelken en – de heks onder de kamerplanten – sansevieria’s.

Azalea’s en cyclamen herinneren me aan de diepe treurnis van de interieurs uit de jaren ’70. Aronskelken doen me aan begrafenissen denken en palmbomen vind ik zielig want die horen aan het strand te staan. Toppunt van kamerplantenellende is overigens de kamerden, daar word ik altijd erg verdrietig van. Varens zijn op zich nog wel leuk, maar die gaan bij mij het snelste dood van allemaal. Aan de sansevieria wijd ik hier verder geen woorden, vrouwentongen heten ze ook wel. I rest my case.

Op dit moment heb ik nog maar één kamerplant in mijn bezit: een lidcactus die weigert te sterven. Soms vergeet ik weken achtereen om hem water te geven maar de enige reactie is knopvorming. Dat is dan wel weer leuk.

Verder heb ik een plantje waarvan ik dacht dat er eetbare vruchtjes aan kwamen. Quod non. En een hortensiaatje dat ik vorig jaar na de bloei buiten had gezet en die dit voorjaar gewoon weer ging bloeien. En dat doet hij nog steeds.

Eigenlijk is het de goden verzoeken als ik een kamerplant koop. De kans dat ik over zes weken nog steeds een kamerplant heb, is vrij klein, weet ik uit ervaring. Nu ben ik dus op zoek naar een kamerplant die mij niet doet herinneren aan de jaren ’70, die niet overduidelijk staat te smachten naar de plek waar hij thuishoort, die er niet uitziet alsof hij mij elk moment kan aanvallen, en die oer- en oersterk is. Tips welkom!

“REIβVERSLUSS!!”

Het enige wat ik op Duitsland tegen heb, is dat het tussen Nederland en Denemarken ligt. Ik vind het prima dat Duitsland bestaat, maar er doorheen rijden is een drama, met name bij Bremen en Hamburg.

Al vanaf 1971, de eerste keer dat ik samen met ouders en broertjes op vakantie ging naar Denemarken, bleek Duitsland een obstakel van formaat. De stad Hamburg was de nachtmerrie van mijn vader want de snelweg was nog niet uitgevonden. De kunst was het centrum van de stad te vermijden, wat niet altijd lukte. Een verkeerde afslag was zo genomen, en zie er dan nog maar eens uit te komen. Zwetend zat hij achter het stuur, mijn moeder nagelbijtend en aanwijzingen gevend ernaast, de kaart op schoot.

Toegegeven, dat is een stuk verbeterd. Tegenwoordig rijd je royaal om de stad heen. Maar om de een of andere reden is het nooit klaar, al die wegenbouw. Ik weet niet hoe die Duitsers het doen, maar elke zomer als Echtgenoot en ik naar Denemarken rijden, komen we minstens zeven punten voorbij waar mensen aan het werk zijn, en altijd is het bij Bremen en Hamburg. Met graafmachines, asfaltschrapers, vrachtwagens die af en aan rijden, gele strepen op de weg, en borden, heel veel borden met aanwijzingen.

Een van die aanwijzingen is dat je bij een wegversmalling moet ritsen: een Reißverschluss. Nu wist ik nog niet dat ritsen zo heette in het Duits, totdat een boze Duitser die achter het stuur van een grote auto zat (waarom hebben Duitsers toch altijd van die grote auto’s?) mij het woord woest in het gezicht slingerde, een beetje krijsend zoals Duitsers dat kunnen: “REIβVERSLUSS!!” Het woord leent zich goed voor krijsen, trouwens.

Er zaten nog een vrouw en twee kinderen in zijn grote auto, die bovendien tot de nok was volgepakt met vakantiespullen. Misschien moest hij nog wel heel ver, en had hij ook nog op een partij gestemd die beloofd had een einde te maken aan de eeuwige verkeersopstoppingen rond zijn stad maar had die partij het niet gehaald. Wellicht ook had hij al drie keer op rij moeten wachten omdat andere auto’s hem er niet tussen lieten. Je weet het niet.

Toch bleef zijn “Reißverschluss”-kreet hangen. Elke keer als er weer eens geritst moest worden, kreeg ik de aanvechting het autoraampje omlaag te laten zoeven en dan op hoge toon “REIβVERSLUSS!!” te krijsen. Bij voorkeur tegen een BMW, een Audi of een Mercedes.

Die verleiding bleef tot wij opeens de grens met Denemarken overgingen. Nou ja, opeens is wat veel gezegd want de Denen controleren weer bij de grensovergang (lees: kijken even in de auto) en dat betekende de zoveelste file. Na die ergernis reden we een relaxt en Reißverschluss-vrij land binnen. Heerlijk.

Hittehater

Heet heter heetst. Het zijn droevige dagen voor een hittehater als ik.

Langzamerhand verlies ik mijn gevoel voor decorum, nu ik gekleed in een jurk die NIET tot aan de grond reikt boodschappen ben gaan doen. Ik heb mezelf ooit beloofd dat ik dat nooit zou doen maar het weer is sterker dan ik.

Make-up? Doorgelopen. Waterproof is ook niet meer wat het geweest is.
Haar? Bij elkaar geknoopt tot een knotje bovenop mijn hoofd. Met mijn grijzende haar lijk ik meer dan ooit op een oma en daar word ik ook nog eens steeds aan herinnerd door Kleindochter die bij ons logeert.

En dan de ouderlijke plichten: morgen moet ik Zoon III plus echtgenote ophalen vanaf Schiphol. Twee uur heen en twee uur terug in de auto. Erger nog, over een week of wat gaan we op vakantie. Ik zie er nu al tegenop want met de auto. Ik ga mijn testament maar vast schrijven.

De Volkskrant meldt vandaag dat hitte ook ‘mentale’ invloeden heeft. En dat klopt, kan ik u vertellen. Bij mij varieert dat van ernstig geheugenverlies (nog erger dan bij normale temperaturen) tot een kort lontje aan het eind van de dag, en trouwens ook aan het begin.

Gelukkig hebben we een ventilator die de kracht heeft van een straaljager. Hij staat op stand 3 en dat houden we voorlopig zo. Er staat voor twee weken ijs in de vriezer en we eten voor de zesde keer salade.

Als de onheilsklimaatprofeten het bij het rechte eind hebben (en dat staat inmiddels wel vast), gaan deze temperaturen in de toekomst steeds vaker voorkomen. Mogelijkheden om in ieder geval de nadelen qua uiterlijk en decorum te beperken: make-up laten tatoeëren, haar verven en/of kort knippen, en zeven witte enkellange djellaba’s kopen, voor elke dag in de week één. Er zit straks niks anders meer op.

Boerka

Het boerkaverbod is er door. En het is een merkwaardig geval geworden, zoals de meeste wetten die worden gemaakt om een door de meerderheid ongewenste uiting te verbieden, met tal van voor de hand liggende uitzonderingen zoals gezichtsbescherming bij sporten. Dat krijg je ervan als je alles juridisch wilt oplossen.

Ongewenst, dat is een boerka wat mij betreft zeker, evenals de niqaab. En nu ik toch bezig ben, alle kledingvoorschriften voor vrouwen waarmee ze verantwoordelijk worden gemaakt voor de gevoelens van anderen, zijn uit den boze. Negen van de tien keer gaat het immers over de seksuele aantrekkingskracht van vrouwen op mannen, waarvoor niet de laatsten maar de eersten verantwoordelijk worden geacht.

Vrijwel elke cultuur of religie legt vrouwen allerhande regels op die hun gedrag en kleding bepalen. In streng-christelijke kring dragen meisjes en vrouwen een rok die ook nog eens een bepaalde minimum lengte moet hebben. Ik weet er alles van, op mijn gereformeerde middelbare school stonden wij meisjes ons in de jaren ‘70 nog in de garderobe om te kleden. Je lange broek aanhouden, betekende nablijven en strafwerk.

De hoofddoek is er ook een voorbeeld van. In alle soorten en maten, losjes achterop het haar hangend of strak om het hoofd gebonden. Er zijn zelfs moslima’s die behalve de niqaab ook nog handschoenen dragen, om maar geen huid te laten zien.

Mannen daarentegen wordt meestal geen strobreed in de weg gelegd. Sterker nog, zij zijn degenen die bepalen waaraan vrouwen moeten voldoen. En er zijn altijd wel vrouwen te vinden die hen daarbij een handje willen helpen want zo werken machtssystemen nu eenmaal. Knappe man die het voor elkaar krijgt vrouwen regels op te leggen, als die vrouwen daar niet zelf aan meewerken.

Over het algemeen zijn vrouwen uit die kringen de eersten die het gebruik van het betreffende kledingstuk verdedigen als zijnde een eigen keus. En dat is ongetwijfeld geregeld het geval. De vraag is alleen of vrouwen in hun omgeving er ook helemaal vrij voor of tegen mogen kiezen.

Het probleem is uiteindelijk niet de kleding zelf, maar de religies en culturen die vrouwen als tweederangs beschouwen. Niet met het woord natuurlijk, maar wel in de daad. De woorden zijn meestal niet het probleem, er worden vaak roerende volzinnen gesproken over vrouwen, zeker in het openbaar. Vrouwen zijn geweldig! Zolang ze zich aan de regels houden, in ieder geval.

Die bekrompen visie op vrouwen blijft niet beperkt tot religies, al schijnen nogal wat mensen te denken van wel. Van vrouwen verwachten dat ze er te allen tijde fris en fruitig uitzien, is evenzeer cultureel opgelegd. Vrouwen dienen slank te zijn (met uitzondering van de cupmaat), strak in het vel te zitten en een volle haardos te hebben. Zo’n beetje als een meisje van 18, maar dan eeuwig.

Mannen worden interessant als ze grijs haar en rimpels krijgen, een vrouw wordt gewoon oud. Mannen mogen best een buikje hebben, vrouwen dienen ook na het derde kind nog strak in het vel te zitten. En cosmetisch artsen zijn er als de kippen bij om je een handje te helpen.

Vrouwen worden langs een strenge meetlat gelegd. En het ergste is, ze doen er zelf het hardste aan mee. Geen strengere rechters dan vrouwen onderling, geen wredere oordelen dan de oordelen die vrouwen over elkaar uitspreken. Overal, zowel waar hoofddoek en lange rok ‘verplicht’ zijn, als waar de modepolitie rondwaart.

Het boerkaverbod schiet dan ook zijn doel voorbij – hoezeer die mijn onderbuik ook aanspreekt. Vrouwen moeten zichzelf bevrijden. Van de hoofddoek, van de verplichte lange rok en van het vereiste perfecte uiterlijk. En van elkaar. Ik blijf hopen.

Kervel

Kervel, bieslook en pepermunt, de heilige drie-eenheid van Sint Kruudmoes, staan weer in volle glorie in mijn moestuintje van twee vierkante meter. Wat moet ik met zo’n stukkie, dacht ik eerst, maar dat bleek ten onterechte. Wat moet ik zonder, denk ik nu.

Aan pepermunt is makkelijk te komen, zeker sinds de muntthee definitief zijn intrede heeft gedaan in het Nederlandse terraswezen. Kruizemuntblad is een goed alternatief (nee, hipstertheedrinker, kruizemunt is geen Marokkaanse munt maar gewoon kruizemunt).

Bieslook is ook geen vreemde meer. Maar kervel, kom daar eens om in de noordelijke streken. Negen van de tien keer hebben ze er hier niet van gehoord. De omissie! Wat een zegen is het kervel te kunnen plukken van je eigen grond. De heerlijke anijsachtige geur verspreidt zich meteen en in gedachten zie ik de kruudmoes al pruttelen.

Kruudmoes – ook dat moet de noorderling eerst worden uitgelegd – is het verrukkelijkste eten wat er maar bestaat. Kruudmoes, dat is logeren bij opa en oma, zien dat de kruiden in de opa’s moestuin hoog genoeg staan voor de oogst, daarna flessen karnemelkse pap in de koelkast zien staan, alsmede een Gelderse rookworst.

En opa’s moestuin, zo stelde ik me het paradijs voor. Er stonden aardbeien in, een struik kervel, een flinke pol bieslook, en pepermuntplant in een oude bodemloze emmer, om al te uitbundige verspreiding te voorkomen. Opa wreef altijd een blaadje pepermuntblad fijn tussen zijn vingers en liet me eraan ruiken: net als de pepermuntjes in de kerk!

Bij een paradijselijke tuin hoort paradijselijk eten. En daarom eten wij sinds jaar en dag minstens vier keer per zomer kruudmoes. Want ondanks dat een schooljuf me ooit vertelde dat de hemel er geenszins uitzag als opa’s moestuin maar meer als een soort eeuwige kooruitvoering, houd ik me toch maar vast aan opa’s moestuin. Zingen kan altijd nog.

Milieu

Het milieu is nooit een hot topic geweest in christelijke kring. Ooit raakte ik als achttienjarige per ongeluk verzeild in een GPV-vergadering die – jawel – in de kerk gehouden werd. Het leven is één, niet waar? Nou, dat viel nog te bezien.

Ik viel met mijn neus in de boter. Het onderwerp van die avond was het milieu. De inleider hield een gloedvol betoog dat vooral neerkwam op: alles mooi en aardig met het milieu maar die moderne fratsen moeten niet ten koste gaan van de economie. Het was tenslotte crisis.

Nu ben ik gezegend met een moeder die al vroeg niet alleen het belang van goede zorg voor het milieu inzag, maar ook je eigen verantwoordelijkheid daarvoor. Maar mijn vraag na de lezing of die – met andere onderwerpen zo hoog geroemde – eigen verantwoordelijkheid geen rol zou moeten spelen bij het milieu, werd met hoongelach ontvangen.

Alsof fosfaatvrij wassen (hèt probleem in die tijd was fosfaat in het milieu) de wereld zou redden. En of je dan geen auto meer mocht rijden. En het was nog links ook, dat milieu-gedoe. Alleen een oud boertje die voor mij zat, draaide zich om en zei: “Ie hebb’n groot geliek.” Maar dat verdween in het hoongelach.
Ik moest hieraan denken toen ik de brochure Messentrekkers bij de Nachtwacht van Koos van Noppen las. Zelf verantwoordelijkheid nemen, je realiseren dat je Gods schepping aan het vernachelen bent met je vliegreisjes naar Turkije en de Griekse eilanden, met je kledingkast volhangen met goedkope polyester rommel die door kinderhandjes is gemaakt, met je overmatige vleesconsumptie.

En dat is meteen het lastige. Want hoe moet het dan wel, wat mag je wel en wat niet? Wie gaat ons dat vertellen? De meeste reacties op de brochure pasten dan ook helemaal in het oud-christelijke patroon van de organisaties. Wij christenen hebben daar namelijk speciale organisaties voor, en die denken voor ons. Dan ga je een keer naar een avond van zo’n club, je koopt een boekie en je geeft eens wat extra aan een collecte. Verder is het business as usual.

En nog een probleem: het houdt nooit op. Je leeft, je ademt, eet, drinkt en poept, en je vervuilt. En dat is precies het pijnpunt: ons streven naar perfectie. Wij doen het namelijk niet goed, wij falen, en daarmee is het moeilijk leven, ook voor christenen die erkennen dat ze niet volmaakt zijn en het ook niet worden.

Maar waarom zou je ondanks dat falen niet gewoon je best doen? In de overtuiging dat God alles wat je doet al lang met welbehagen aanziet.

Sunlightzeep

AL sinds jaar en dag koop ik – in het bezit van een groot geweten qua milieu – Sunlightzeep, van die lekker ouderwetse harde stukken witte zeep. Het is zeep zonder poeha, zonder parfum dat me zou moeten laten denken aan een frisse Alpenweide. Dat heeft die zeep ook helemaal niet nodig want die ruikt van zichzelf al verrukkelijk.

Er is wel enige voorbereiding nodig voor zo’n was. Ik rasp een stuk van de zeep, los het op in kokend water en giet dat op het wasgoed. Het kost ongeveer twee minuten extra tijd, dus het is geen dagtaak. Ik begrijp dat ik hiermee niet de prijs voor de meest geavanceerde wastechniek zal winnen, maar daar kan ik mee leven.

Het resultaat is niet alleen een stralend witte was (blabla) maar vooral verrukkelijk ruikende lakens, zeker als ze ook nog eens buiten aan de lijn zijn gedroogd. Het inhalen van de Sunlightzeep-was is een van de weinige momenten in mijn leven dat ik mij verzoend voel met het huishoudelijk werk dat onvermijdelijk verbonden is aan dit aardse bestaan.

Toch heeft mijn milieu-geweten een deuk opgelopen. Want wat schetst mijn verbazing toen ik ontdekte dat ook Sunlightzeep sinds kort verpakt is in PLASTIC! Plastic, de vloek van de moderne samenleving, inmiddels al doorgedrongen tot in het zeeijs.

Sunlightzeep is een product van Unilever. (Datzelfde bedrijf dat liever niet wil dat zijn aandeelhouders dividendbelasting moeten betalen, en wat u en ik nu dus moeten ophoesten). Op de website van Unilever staan ontroerende verklaringen over de zorg voor het milieu.

Zoals de belofte afbreekbaar, composteerbaar of recyclebaar plastic te gaan gebruiken. In 2025. Is dat afbreekbare en composteerbare plastic er dan nog niet? Jawel. Maar Unilever geeft zichzelf nog zeven jaar. Gewoon omdat het kan.

Wat was er trouwens mis met de papieren verpakking van weleer? Onlangs kwam Echtgenoot thuis met twee pakken Sunlightzeep van minstens een halve eeuw geleden, gekocht op de rommelmarkt. Het papier zat er nog gewoon omheen.

Koningsdag

We hebben het weer gehad: Koningsdag, de vijfde op rij na een eeuw Koninginnedag. Ik moet zeggen, het gaat wennen. Gelukkig is de rommelmarkt gewoon gebleven en blijven de koningsspelen beperkt tot het basisonderwijs.

Eerst naar de rommelmarkt dus, waar ik een kop en schotel scoorde, die later niet bij elkaar bleek passen. Te lui geweest om de leesbril op te doen. Maar ach, 50 cent… En het is ondanks dat best een leuk setje.

Helaas maakte ik de fout daarna de televee aan te doen. Fijn dat de koning met aanhang naar Groningen waren gegaan, maar dat de bewoners die lijden onder de aardbevingen opschieten met “ach, wat naar” en “ik hoop dat u moed houdt”, waag ik te betwijfelen.

Niemand die de man aansprak op zijn aandelen Shell, toch geen onbekende in het NAM-verhaal. Toegegeven, dat doe je ook niet snel op iemands verjaardag, maar als je huis op instorten staat, word je dat vast vergeven.

Koningsdag lijkt een licht hersenverwekend effect te hebben op de onderdanen. En dan heb ik het nog niet eens over volwassen vrouwen met grote oranje strikken in hun haar.

Daarna deed ik nog iets doms, ik keek op Twitter. Naast vrolijk beeldmateriaal van oranje tompouces en vioolspelende meisjes die er net een les of tien op hebben zitten, ging er ook het nodige chagrijn rond. Niet zozeer van republikeinen, die zijn zo langzamerhand evenzeer deel gaan uitmaken van de folklore als de vrijmarkt.

Het chagrijn kwam van een aantal landgenoten die zich hebben gestoord aan de omvang en kledingkeuze van de oudste dochter van de koning. Ik begrijp nooit zo goed waarom je daarover zou moeten twitteren. Welke gevoelloze ellendeling doet dat nu een kind van 14 aan?

Het is dat het niet kan, maar het liefst zou ik een nieuwe Koningsdagspel in het leven roepen: maak een foto van al die twittereikels en hang die de volgende Koningsdag in groot formaat op een muur. Amalia mag er dan rotte eieren naar gooien, of beter nog, de telefoons waarop die Twitteraccounts staan. Dat zal ze leren. Lang leve Amalia!

Pastafari

Bestrijding van corrosie in de ondergrond met microbiologie, daar hoopt Michael Afanasyev volgend jaar op te promoveren. Had hij het daar maar bij gelaten, dacht ik toen ik het radioprogramma dr. Kelder&Co beluisterde, in de auto, ergens tussen Assen en Leeuwarden.

Afanasyev is Pastafari, iemand die naar eigen zeggen de Kerk van de Pasta aanhangt, en om die reden graag zijn priestergewaad wil dragen als hij promoveert, met een vergiet als hoedje. Maar dat mag niet van de Universiteit van Delft.

Presentator Jort Kelder probeert hem een paar keer te ontlokken dat pastafarisme natuurlijk onzin is, een manier om gevestigde religies te bespotten. Wie gelooft er nou in een vliegend spaghettimonster? Maar Afanasyev blijft in zijn rol, en dan komt de aap uit de mouw in de vorm van de ouderwetse jij-bak: zijn verhaal is misschien ongeloofwaardig, maar dat is het verhaal van de Bijbel ook.

Afanasyev kan zijn geloof alleen uitleggen aan de hand van de bekende godsdiensten, maar dan precies omgekeerd. Daar krijg je merkwaardige uitspraken van als ‘ons enige dogma is dat we geen dogma’s hebben’. Je kunt natuurlijk helemaal niet in iets geloven als je nergens vanuit gaat, maar die inconsistentie viel Kelder helaas niet op.

Halverwege dr. Kelder&Co komt wetenschapsfilosoof Maarten Boudry aan het woord. Religies afschaffen is moeilijk haalbaar, zegt hij. Maar je zou gelovigen wel al hun voorrechten kunnen afnemen. Geen idee welke dat zijn trouwens, hij noemde helaas geen voorbeelden.

Religie is niet goed voor de samenleving want religie vereist blind geloof, doceert Boudry verder. Bijvoorbeeld geloof in het hiernamaals, met als gevolg dat je het hier en nu niet meer serieus neemt. Een verbazingwekkende stellingname. Je kunt veel van christenen zeggen, maar desinteresse in de samenleving hoort daar niet bij.

“Ik kan me niet voorstellen dat iemand die de Nobelprijs wint, toch gelovig is, tenzij hij die ziekte van zijn ouders ge-orven heeft”, zegt presentator Kelder – die graag adel-dialect bezigt – tegen zijn studiogast. Afanasyev legt vervolgens uit dat je de Bijbel ook helemaal niet letterlijk hoeft te nemen. Het klonk – afgezien van het feit dat er veel christenen zijn die bijvoorbeeld Genesis helemaal niet ‘letterlijk’ lezen – een beetje als mansplaining, maar dan op religieus gebied.

Het is overigens een beproefde methode: eerst een beeld van een godsdienst schetsen dat niet klopt en vervolgens dat beeld gaan bestrijden. De Pastafari-man steekt er alleen wel erg veel energie in.

Het gaat zo langzamerhand ook wat vervelen. Het staat ieder vrij wel of niet in God te geloven, en ik vind het ook niet erg als mensen met mij en mijn geloof spotten. Maar als je ergens echt in geïnteresseerd bent, nodig je iemand uit die je er ook echt iets over kan vertellen.

Als Kelder had willen weten hoe mensen geloof en wetenschap combineren, had hij natuurlijk een christelijke wetenschapper kunnen uitnodigen in plaats van een pastafari. Christelijke wetenschappers zijn er meer dan genoeg, of Kelder zich dat nu kan voorstellen of niet. Des te spannender kan zijn programma worden.

Maar helaas… een gemiste kans, dr. Kelder!