Kervel

Kervel, bieslook en pepermunt, de heilige drie-eenheid van Sint Kruudmoes, staan weer in volle glorie in mijn moestuintje van twee vierkante meter. Wat moet ik met zo’n stukkie, dacht ik eerst, maar dat bleek ten onterechte. Wat moet ik zonder, denk ik nu.

Aan pepermunt is makkelijk te komen, zeker sinds de muntthee definitief zijn intrede heeft gedaan in het Nederlandse terraswezen. Kruizemuntblad is een goed alternatief (nee, hipstertheedrinker, kruizemunt is geen Marokkaanse munt maar gewoon kruizemunt).

Bieslook is ook geen vreemde meer. Maar kervel, kom daar eens om in de noordelijke streken. Negen van de tien keer hebben ze er hier niet van gehoord. De omissie! Wat een zegen is het kervel te kunnen plukken van je eigen grond. De heerlijke anijsachtige geur verspreidt zich meteen en in gedachten zie ik de kruudmoes al pruttelen.

Kruudmoes – ook dat moet de noorderling eerst worden uitgelegd – is het verrukkelijkste eten wat er maar bestaat. Kruudmoes, dat is logeren bij opa en oma, zien dat de kruiden in de opa’s moestuin hoog genoeg staan voor de oogst, daarna flessen karnemelkse pap in de koelkast zien staan, alsmede een Gelderse rookworst.

En opa’s moestuin, zo stelde ik me het paradijs voor. Er stonden aardbeien in, een struik kervel, een flinke pol bieslook, en pepermuntplant in een oude bodemloze emmer, om al te uitbundige verspreiding te voorkomen. Opa wreef altijd een blaadje pepermuntblad fijn tussen zijn vingers en liet me eraan ruiken: net als de pepermuntjes in de kerk!

Bij een paradijselijke tuin hoort paradijselijk eten. En daarom eten wij sinds jaar en dag minstens vier keer per zomer kruudmoes. Want ondanks dat een schooljuf me ooit vertelde dat de hemel er geenszins uitzag als opa’s moestuin maar meer als een soort eeuwige kooruitvoering, houd ik me toch maar vast aan opa’s moestuin. Zingen kan altijd nog.

Milieu

Het milieu is nooit een hot topic geweest in christelijke kring. Ooit raakte ik als achttienjarige per ongeluk verzeild in een GPV-vergadering die – jawel – in de kerk gehouden werd. Het leven is één, niet waar? Nou, dat viel nog te bezien.

Ik viel met mijn neus in de boter. Het onderwerp van die avond was het milieu. De inleider hield een gloedvol betoog dat vooral neerkwam op: alles mooi en aardig met het milieu maar die moderne fratsen moeten niet ten koste gaan van de economie. Het was tenslotte crisis.

Nu ben ik gezegend met een moeder die al vroeg niet alleen het belang van goede zorg voor het milieu inzag, maar ook je eigen verantwoordelijkheid daarvoor. Maar mijn vraag na de lezing of die – met andere onderwerpen zo hoog geroemde – eigen verantwoordelijkheid geen rol zou moeten spelen bij het milieu, werd met hoongelach ontvangen.

Alsof fosfaatvrij wassen (hèt probleem in die tijd was fosfaat in het milieu) de wereld zou redden. En of je dan geen auto meer mocht rijden. En het was nog links ook, dat milieu-gedoe. Alleen een oud boertje die voor mij zat, draaide zich om en zei: “Ie hebb’n groot geliek.” Maar dat verdween in het hoongelach.
Ik moest hieraan denken toen ik de brochure Messentrekkers bij de Nachtwacht van Koos van Noppen las. Zelf verantwoordelijkheid nemen, je realiseren dat je Gods schepping aan het vernachelen bent met je vliegreisjes naar Turkije en de Griekse eilanden, met je kledingkast volhangen met goedkope polyester rommel die door kinderhandjes is gemaakt, met je overmatige vleesconsumptie.

En dat is meteen het lastige. Want hoe moet het dan wel, wat mag je wel en wat niet? Wie gaat ons dat vertellen? De meeste reacties op de brochure pasten dan ook helemaal in het oud-christelijke patroon van de organisaties. Wij christenen hebben daar namelijk speciale organisaties voor, en die denken voor ons. Dan ga je een keer naar een avond van zo’n club, je koopt een boekie en je geeft eens wat extra aan een collecte. Verder is het business as usual.

En nog een probleem: het houdt nooit op. Je leeft, je ademt, eet, drinkt en poept, en je vervuilt. En dat is precies het pijnpunt: ons streven naar perfectie. Wij doen het namelijk niet goed, wij falen, en daarmee is het moeilijk leven, ook voor christenen die erkennen dat ze niet volmaakt zijn en het ook niet worden.

Maar waarom zou je ondanks dat falen niet gewoon je best doen? In de overtuiging dat God alles wat je doet al lang met welbehagen aanziet.

Sunlightzeep

AL sinds jaar en dag koop ik – in het bezit van een groot geweten qua milieu – Sunlightzeep, van die lekker ouderwetse harde stukken witte zeep. Het is zeep zonder poeha, zonder parfum dat me zou moeten laten denken aan een frisse Alpenweide. Dat heeft die zeep ook helemaal niet nodig want die ruikt van zichzelf al verrukkelijk.

Er is wel enige voorbereiding nodig voor zo’n was. Ik rasp een stuk van de zeep, los het op in kokend water en giet dat op het wasgoed. Het kost ongeveer twee minuten extra tijd, dus het is geen dagtaak. Ik begrijp dat ik hiermee niet de prijs voor de meest geavanceerde wastechniek zal winnen, maar daar kan ik mee leven.

Het resultaat is niet alleen een stralend witte was (blabla) maar vooral verrukkelijk ruikende lakens, zeker als ze ook nog eens buiten aan de lijn zijn gedroogd. Het inhalen van de Sunlightzeep-was is een van de weinige momenten in mijn leven dat ik mij verzoend voel met het huishoudelijk werk dat onvermijdelijk verbonden is aan dit aardse bestaan.

Toch heeft mijn milieu-geweten een deuk opgelopen. Want wat schetst mijn verbazing toen ik ontdekte dat ook Sunlightzeep sinds kort verpakt is in PLASTIC! Plastic, de vloek van de moderne samenleving, inmiddels al doorgedrongen tot in het zeeijs.

Sunlightzeep is een product van Unilever. (Datzelfde bedrijf dat liever niet wil dat zijn aandeelhouders dividendbelasting moeten betalen, en wat u en ik nu dus moeten ophoesten). Op de website van Unilever staan ontroerende verklaringen over de zorg voor het milieu.

Zoals de belofte afbreekbaar, composteerbaar of recyclebaar plastic te gaan gebruiken. In 2025. Is dat afbreekbare en composteerbare plastic er dan nog niet? Jawel. Maar Unilever geeft zichzelf nog zeven jaar. Gewoon omdat het kan.

Wat was er trouwens mis met de papieren verpakking van weleer? Onlangs kwam Echtgenoot thuis met twee pakken Sunlightzeep van minstens een halve eeuw geleden, gekocht op de rommelmarkt. Het papier zat er nog gewoon omheen.

Koningsdag

We hebben het weer gehad: Koningsdag, de vijfde op rij na een eeuw Koninginnedag. Ik moet zeggen, het gaat wennen. Gelukkig is de rommelmarkt gewoon gebleven en blijven de koningsspelen beperkt tot het basisonderwijs.

Eerst naar de rommelmarkt dus, waar ik een kop en schotel scoorde, die later niet bij elkaar bleek passen. Te lui geweest om de leesbril op te doen. Maar ach, 50 cent… En het is ondanks dat best een leuk setje.

Helaas maakte ik de fout daarna de televee aan te doen. Fijn dat de koning met aanhang naar Groningen waren gegaan, maar dat de bewoners die lijden onder de aardbevingen opschieten met “ach, wat naar” en “ik hoop dat u moed houdt”, waag ik te betwijfelen.

Niemand die de man aansprak op zijn aandelen Shell, toch geen onbekende in het NAM-verhaal. Toegegeven, dat doe je ook niet snel op iemands verjaardag, maar als je huis op instorten staat, word je dat vast vergeven.

Koningsdag lijkt een licht hersenverwekend effect te hebben op de onderdanen. En dan heb ik het nog niet eens over volwassen vrouwen met grote oranje strikken in hun haar.

Daarna deed ik nog iets doms, ik keek op Twitter. Naast vrolijk beeldmateriaal van oranje tompouces en vioolspelende meisjes die er net een les of tien op hebben zitten, ging er ook het nodige chagrijn rond. Niet zozeer van republikeinen, die zijn zo langzamerhand evenzeer deel gaan uitmaken van de folklore als de vrijmarkt.

Het chagrijn kwam van een aantal landgenoten die zich hebben gestoord aan de omvang en kledingkeuze van de oudste dochter van de koning. Ik begrijp nooit zo goed waarom je daarover zou moeten twitteren. Welke gevoelloze ellendeling doet dat nu een kind van 14 aan?

Het is dat het niet kan, maar het liefst zou ik een nieuwe Koningsdagspel in het leven roepen: maak een foto van al die twittereikels en hang die de volgende Koningsdag in groot formaat op een muur. Amalia mag er dan rotte eieren naar gooien, of beter nog, de telefoons waarop die Twitteraccounts staan. Dat zal ze leren. Lang leve Amalia!

Pastafari

Bestrijding van corrosie in de ondergrond met microbiologie, daar hoopt Michael Afanasyev volgend jaar op te promoveren. Had hij het daar maar bij gelaten, dacht ik toen ik het radioprogramma dr. Kelder&Co beluisterde, in de auto, ergens tussen Assen en Leeuwarden.

Afanasyev is Pastafari, iemand die naar eigen zeggen de Kerk van de Pasta aanhangt, en om die reden graag zijn priestergewaad wil dragen als hij promoveert, met een vergiet als hoedje. Maar dat mag niet van de Universiteit van Delft.

Presentator Jort Kelder probeert hem een paar keer te ontlokken dat pastafarisme natuurlijk onzin is, een manier om gevestigde religies te bespotten. Wie gelooft er nou in een vliegend spaghettimonster? Maar Afanasyev blijft in zijn rol, en dan komt de aap uit de mouw in de vorm van de ouderwetse jij-bak: zijn verhaal is misschien ongeloofwaardig, maar dat is het verhaal van de Bijbel ook.

Afanasyev kan zijn geloof alleen uitleggen aan de hand van de bekende godsdiensten, maar dan precies omgekeerd. Daar krijg je merkwaardige uitspraken van als ‘ons enige dogma is dat we geen dogma’s hebben’. Je kunt natuurlijk helemaal niet in iets geloven als je nergens vanuit gaat, maar die inconsistentie viel Kelder helaas niet op.

Halverwege dr. Kelder&Co komt wetenschapsfilosoof Maarten Boudry aan het woord. Religies afschaffen is moeilijk haalbaar, zegt hij. Maar je zou gelovigen wel al hun voorrechten kunnen afnemen. Geen idee welke dat zijn trouwens, hij noemde helaas geen voorbeelden.

Religie is niet goed voor de samenleving want religie vereist blind geloof, doceert Boudry verder. Bijvoorbeeld geloof in het hiernamaals, met als gevolg dat je het hier en nu niet meer serieus neemt. Een verbazingwekkende stellingname. Je kunt veel van christenen zeggen, maar desinteresse in de samenleving hoort daar niet bij.

“Ik kan me niet voorstellen dat iemand die de Nobelprijs wint, toch gelovig is, tenzij hij die ziekte van zijn ouders ge-orven heeft”, zegt presentator Kelder – die graag adel-dialect bezigt – tegen zijn studiogast. Afanasyev legt vervolgens uit dat je de Bijbel ook helemaal niet letterlijk hoeft te nemen. Het klonk – afgezien van het feit dat er veel christenen zijn die bijvoorbeeld Genesis helemaal niet ‘letterlijk’ lezen – een beetje als mansplaining, maar dan op religieus gebied.

Het is overigens een beproefde methode: eerst een beeld van een godsdienst schetsen dat niet klopt en vervolgens dat beeld gaan bestrijden. De Pastafari-man steekt er alleen wel erg veel energie in.

Het gaat zo langzamerhand ook wat vervelen. Het staat ieder vrij wel of niet in God te geloven, en ik vind het ook niet erg als mensen met mij en mijn geloof spotten. Maar als je ergens echt in geïnteresseerd bent, nodig je iemand uit die je er ook echt iets over kan vertellen.

Als Kelder had willen weten hoe mensen geloof en wetenschap combineren, had hij natuurlijk een christelijke wetenschapper kunnen uitnodigen in plaats van een pastafari. Christelijke wetenschappers zijn er meer dan genoeg, of Kelder zich dat nu kan voorstellen of niet. Des te spannender kan zijn programma worden.

Maar helaas… een gemiste kans, dr. Kelder!

Waterkoker

Twee jaar geleden hadden we hem aangeschaft, onze waterkoker. Met twee jaar garantie van de moeder aller huishoudzaken de Hema. En alsof-tie het wist, vanmorgen hield hij ermee op. Het knopje waarmee je hem aan en uit zet – en dat ik altijd al een wat wankel geval vond – weigerde nog op de aan-stand te blijven staan.

Aan een waterkoker die alleen maar uit kan staan, heb je niet veel. En dus toog Echtgenoot naar de dichtstbijzijnde elektronicazaak en kocht een nieuwe. Hij is wit en hij doet het.

Het kan me zo langzamerhand nog maar weinig schelen wat voor waterkoker op mijn aanrecht staat, zolang hij maar water kookt. Want ik heb eens op een rijtje gezet hoeveel waterkokers de firma Evink al heeft versleten de laatste tien jaar. Halverwege liet mijn geheugen mij in de steek, maar ik kwam op in ieder geval vier stuks.

Ik had ooit een mooi ontworpen koker die een prijs had gewonnen maar die een defect bleek te hebben, een fraai lichtblauw exemplaar dat na een half jaar begon te roesten, en een heel goedkope die kortsluiting veroorzaakte. Een duur merk, een merkloos geval, met of zonder ontwerpprijs, het maakt allemaal niet uit, want deze dingen zijn erop gemaakt dat ze het als de garantie is afgelopen begeven, vertelde Zoon 2 mij ooit. Goed voor de omzet.

Ik wil geen complotdenker zijn, maar het wordt me wel moeilijk gemaakt. Want Zoon heeft gelijk. Was het palletje van metaal geweest in plaats van plastic, dan had deze waterkoker het nog zeker een paar jaar gedaan, zei Echtgenoot. Ik heb nog even de aanvechting gehad zo’n ouderwetse aluminiumketel te kopen, maar ja, dat gas, hè…

Trouwens, nu minister Wiebes toch zo voortvarend bezig is het milieu te redden, heb ik nog een suggestie: alle kleine huishoudelijke apparaten moeten het minstens zes jaar doen. Verplichte garantie dus. Haalt zo’n apparaat het niet, dan krijgt de consument een nieuwe en de fabrikant een boete. Dat zal ze leren grondstoffen te verknoeien.

Deense mores


Denemarken leek lange tijd een soort socialistisch Lego-paradijs. Nergens was de gelijkheid tot zo grote hoogte gestegen. Maar twee jaar geleden kwamen we tijdens onze vakantie in een lange file terecht voor de Duits-Deense grens. Reden: controle. We zagen dat alleen binnenkomers met een donkere huidskleur naar de kant werden gehaald en een plaatsvervangend schaamrood bedekte onze kaken. Daar stond weer een Indiër zijn hele kofferbak leeg te halen… de bagage stond op de stoeptegels.

Denemarken heeft pas vanaf de jaren ‘90 te maken met immigranten, en zoals het een Scandinavisch land betaamt werd het beleid aanvankelijk gestempeld door de tweeling vrijheid-blijheid. Of zoals critici zeggen, onverschilligheid verpakt in tolerantie. Hoe het ook zij, those days are over.

Begin maart berichtte de NRC al over ingrijpende plannen van de centrumrechtse Deense regering, en gisteravond bleek de NOS het ook te hebben opgepakt. De Denen willen af van de achterstandswijken, voornamelijk bevolkt door van oorsprong niet-Denen, alle kinderen moeten goed Deens speken door ze verplicht naar voorschoolse opvang te sturen, vanaf één jaar. De grootste verrassing: de sociaaldemocraten, de grootste oppositiepartij, zijn enthousiast over de plannen. Eerlijk is eerlijk, het plan heeft ouderwets sociaaldemocratische trekjes, met een grootse aanpak en een flinke dosis staatsdwang. Je zou het ook totalitair kunnen noemen…

Waarom zijn ook de sociaal-democraten zo enthousiast? Er lijken zowel electorale als sociale redenen ten grondslag aan te liggen. De sociaaldemocraten hebben veel terrein verloren aan de rechts-populistische Deense Volkspartij, en de vooruitzichten zijn zeker zo somber. Kwestie van knopen tellen. Maar sociale redenen zijn er ook. Volgens premier Lars Løkke Rasmussen zijn er parallelle samenlevingen ontstaan: Deense en voorzichtig zo genoemde ‘niet-westerse’ samenlevingen. Dat is – zeker op langere termijn – een bedreiging voor e hele maatschappij.

Een uitzending van Zembla onthulde november 2016 al dat de problemen in die parallelle samenlevingen inderdaad groot kunnen zijn, om niet te zeggen: behoorlijk eng. Ben je geslagen en verkracht door je man? Dan mag je niet naar de politie. Willen je kinderen niet bidden? Sla ze maar. Wij gaan hier onze eigen gang, wilde de imam maar zeggen, knappe jongen die ons tegenhoudt. Toch opvallend hoe altijd weer vrouwen en kinderen het slachtoffer zijn.

Misschien zijn de Denen wel op tijd. In Kopenhagen en Arhus liep het pas afgelopen zomer uit de hand, toen rivaliserende bendes uit achterstandsbuurten in Kopenhagen elkaar te lijf gingen. Het is nog lang geen Londen of Parijs. Maar zover willen de Denen het dan ook niet laten komen.

Denemarken kan een voorbeeldland worden, een gidsland. Maar dan zijn er nog wel een paar dingen die aandacht verdienen. In het item van de NOS hoorde ik een aantal keer “onze normen en waarden” voorbij komen. Maar wat die normen en waarden zijn, werd niet duidelijk. Ingrijpen als kinderen de taal niet goed leren, kan ik nog begrijpen. Maar ‘onze normen en waarden’ gaat verder dan de taal. Wie durft het aan die concreet te formuleren? Na ‘vrijheid’ en ‘democratie’ – nog afgezien van de invulling daarvan – begint de onenigheid vaak al.

Daarnaast zijn de plannen erg gericht op dwang. Dat je daar niet altijd aan ontkomt, snap ik, maar er moet ook een wenkend perspectief zijn. Echt meedoen in een land betekent ook voor vol worden aangezien, onafhankelijk van je godsdienst of je kleur. En dat vereist een goede anti-discriminatiewetgeving. Wie weet kan Denemarken nu eens een tijdje gidsland zijn. Wij zijn het al lang niet meer.

Dierenleed


Het volk heeft zijn zin gekregen, de grote grazers van de Oostvaardersplassen worden bijgevoerd. Mission completed! Het was een voorspelbare afloop: we willen in dit land geen leed zien, niet van onszelf en niet van anderen. Zoals spreekster tijdens de demonstratie Belinda Meuldijk al zei: “De dieren lijden, maar wij ook want wij moeten het aanzien”.

Je kunt er natuurlijk over twisten of het überhaupt wel kan, natuur in Nederland. En of de grote grazers wel passen in de Oostvaardersplassen, want ze zijn daar natuurlijk ooit gewoon door een paar natuurbeheerders neergezet. Een ding staat vast: zonder predatoren gaat het niet goed. En als we dan geen wolven willen invoeren of bereid zijn te wachten tot ze de Oostvaardersplassen op eigen gelegenheid weten te vinden, dan moeten er jagers komen. Ik zie de protestmarsen al aan de horizon opdoemen.

Trouwens, ook de wolven zullen vast niet kunnen rekenen op de goedkeuring van het volk. Kijk maar eens wat voor bloederig tafereel het uiteenscheuren van een kalfje oplevert; één foto van zo’n slachtpartij volstaat. Nederlanders zijn dol op de natuur maar dan moet de natuur zich wel gedragen.

Gelukkig hoeven de protesteerders niet over na te denken over hoe het allemaal wèl moet. En ook niet of er zonder experimenten (dat zijn de Oostvaardersplassen nog steeds) ooit iets wordt bereikt dat op meer natuur lijkt dan schaapskuddes op de hei. Het blad Resource van de Universiteit van Wageningen probeerde de commotie te verklaren maar wordt overspoeld door kritiek: die arrogante wetenschappers begrijpen er helemaal niets van! Dat we eerst allemaal natuur wilden, is iedereen al weer vergeten. En anders willen we bij nader inzien toch liever een dierentuin.

Waar kennen we dit verhaal eigenlijk van? Van de Amsterdamse waterleidingduinen! Natuurlijk, er zijn grote verschillen tussen de Oostvaardersplassen en de Amsterdamse waterleidingduinen, maar overeenkomsten zijn er ook voldoende.

Ook hier ging het om grote aantallen dieren, om damherten die eerst braaf werden bijgevoederd door mensen die de hongerige damherten zo zielig vonden. En toen werden het er zo veel (mede door de afwezigheid van roofdieren) dat afschot de enige optie was die overbleef. Tot grote woede natuurlijk van mensen die dat wreed vonden. Jarenlang werd er geprocedeerd door het Waternet, eigenaar van de Duinen, en boze tegenstanders van afschot. Maar de rechter had het laatste woord: Waternet mocht gaan afschieten. En daarvan heeft de familie Evink nu al twee keer geprofiteerd middels een paar kilo overheerlijk damhertenvlees. Mij hoor je niet klagen.

Conclusie: we willen graag genieten van de natuur maar dan van eentje die geen nare plaatsjes oplevert. En dan blijft alleen de dierentuin nog over. En de kudde schapen op de hei.

Efficiencyslag

Het ziekteverzuim in de zorg is zo groot dat het een half miljard per jaar kost. Reden: overwerkte verpleegkundigen, psychologen en zo meer. De recherche kan maar één op de vijf gevallen van criminaliteit goed behandelen, meldt de Nederlandse politiebond. Reden: te weinig mankracht (‘2000 mensen erbij is een druppel op de gloeiende plaat’), en een stortvloed aan papierwerk en administratie. Dat werpt weer een heel ander licht op de verheugende mededeling dat de criminaliteitscijfers dalen. Het onderwijs kwam met soortgelijke verhalen: te weinig mensen en geld waardoor het project Passend Onderwijs gevaar loopt. Gevolg: steeds meer thuiszittende kinderen.
De rechterlijk macht klaagt over ontoegankelijkheid van de rechtsspraak en overbelasting van het systeem. ‘Sinds 2010 zit de Rechtspraak in een neerwaartse spiraal van bezuiniging en kwaliteitsverlies’, zegt Astrid Creutzberg, rechter in Midden-Nederland.

De verhalen zijn niet nieuw, een korte zoektocht leverde vergelijkbare berichten in vrijwel alle afgelopen jaren vanaf 2008. De reden is ook duidelijk: er kwam steeds minder geld voor onderwijs, zorg, defensie en het overheidsapparaat. Maar op de een of andere manier dringt het maar niet tot de beleidsmakers door dat de mensen in deze sectoren al jaren worden overbelast.

Er werden altijd wel weer toverwoorden opgeduikeld om de bezuinigingen – al dan niet over de schutting van de gemeente gekieperd – voor te spiegelen als volkomen verantwoord, of zelfs logisch. ‘Efficiënter werken’, was er zo een, en ‘meer gericht op resultaat’, ‘kortere lijnen’,‘menskracht effectiever inzetten’. De ‘ombuigingen’ werden verkocht met behulp van kreten als ‘meer kwaliteit voor minder geld’, ‘de tering naar de nering zetten’. Of het waar was deed er niet toe, als het maar lekker bekte.

Minder geld dus, maar meer administratie. Die kwam bovendien niet zelden terecht bij de werkers zelf, in plaats van bij administratieve krachten. Die laatsten werden voor zover ze er waren wegbezuinigd want dat was goedkoper. Ondanks vele beloftes lijkt er tot nu toe weinig te komen van vermindering van regeldruk. We willen namelijk wèl precies weten waar ons goede geld naartoe gaat. En dus vullen onderwijzers, (jeugd)hulpverleners en andere werkers in de zorg elke dag stapels papier in of – misschien nog wel erger – krijgen ze daarvoor een ict-systeem dat vooral lijkt uitgekozen op basis van de kosten en in plaats van gebruiksvriendelijkheid.

Het jammere is dat de oplossing voor de problemen vaak wordt gezocht in af en toe wat geld erbij. Na een rituele dans met vertegenwoordigers van de branches die vertellen hoezeer het water aan de lippen staat, komen de politici zeggen dat er inderdaad wel iets aan de hand is maar echt niet zo ernstig als de sector beweert. Daarna is het tijd grootmoedig wat geld toe te schuiven want de bewindspersoon is ook de beroerdste niet. En die regeldruk, daar is hij/zij ook al mee bezig. Maar daarna wil de minister ook niets meer horen… de bomen groeien nu eenmaal niet tot in de hemel.

Waarom is er toch zo hevig bezuinigd op al deze overheidstaken? Ik denk onder meer vanwege het idee dat al deze sectoren als ‘onkostenposten’ worden beschouwd, noodzakelijk weliswaar maar helaas ook duur. Duur is een relatief begrip, maar zover gaat de discussie meestal niet. De aandacht is verschoven van wat een samenleving goed maakt naar wat een samenleving weinig geld kost.

Een andere oorzaak is het toegenomen wantrouwen waardoor alles controleerbaar moet zijn en elke fout wordt afgestraft, in ieder geval, op de werkvloer. Dat heeft geresulteerd in een papieren werkelijkheid die steeds verder verwijderd raakt van de echte, en die steeds meer geld en tijd kost.

Misschien zou het helpen als onderwijzers, werkers in de zorg, politieagenten en rechercheurs eens een hele week hun werk zouden neerleggen. Gewoon om eens te laten zien wat ze normaal gesproken eigenlijk allemaal doen. Maar dat gaat nooit gebeuren want daarvoor zijn die mensen veel te consciëntieus. En daarmee is de cirkel rond want dat is nu net waarom er jarenlang op hen bezuinigd kon worden.

Deeltijdvrouwen

In tegenstelling tot Jeroen Pauw heeft Eva Jinek wel regelmatig vrouwelijke gasten. Zo ook afgelopen maandagavond toen minister Ingrid van Engelshoven en directielid van Aegon Nederland Ingrid de Graaf aanschoven. Onderwerp van gesprek: jonge vrouwen – ook zonder kinderen – kiezen vaker voor een deeltijdbaan dan jonge mannen.

Een op de drie jonge vrouwen kan niet leven van wat ze verdient, en zit dus onder de 920 euro per maand, bleek uit onderzoek van het SCP. De minister is geschrokken, vooral omdat de keuze voor deeltijd niet vrijwillig lijkt te zijn: er wordt hen geen voltijdbaan aangeboden.

Tot zover is het duidelijk maar daarna snap ik het niet meer. Vrouwen krijgen vanwege vooroordelen geen fulltime baan aangeboden, zegt de minister en dat is discriminatie. De minister wil nu dat de vrouwen dat gaan ‘aangeven’. Het lijkt me allemaal een beetje suf. Vrouwen die zelf hun inkomen willen verdienen, kunnen zoiets toch ook zelf bedenken. Wil je graag meer werken, zeg dat dan tegen je baas. Saillant detail: de meeste deeltijdbanen zijn te vinden in zorg en onderwijs, waar juist een tekort is. Een werkgever kan niet genoeg mensen vinden, maar biedt toch alleen parttime banen aan. Klinkt niet logisch.

Niet alleen jezelf kunnen bedruipen is belangrijk, het heeft ook te maken met je carrièreperspectief, meent Van Engelshoven. Topvrouw Ingrid de Graaf dankt haar carrière – ze begon als secretaresse – naar eigen zeggen aan het voltijdswerken omdat ze zo ‘meer getraind is’. Parttime werken zet je meteen op achterstand, is de conclusie. Als carrière alleen betekent dat je ergens aan de top van het bedrijfsleven belandt, heeft ze vast gelijk. Maar die banen zijn dun gezaaid.

Dat wil niet zeggen dat ik het helemaal oneens ben met de dames. Natuurlijk moet je voor jezelf kunnen zorgen, en ga je niet tegen je dochter zeggen dat er vanzelf een prins in een witte Mercedes komt voorrijden. Maar leven is meer dan werken alleen.

Dan komt de gebruikelijke riedel weer. In Nederland lopen we ver achter vergeleken met de rest van Europa. Dat zal best, in andere Europese landen is deeltijdwerken geen regel maar uitzondering. Maar loopt je dan meteen achter, of maak je andere keuzes? Daarnaast zegt de minister dat vrouwen meer zorgtaken hebben vanwege de heersende cultuur. Tja, daar ben je als vrouw zelf bij. Wat kan jou die cultuur schelen?

En dan natuurlijk het schoolplein waar je je als fulltime werkende moeder altijd moet verdedigen. Nu is het sowieso heel verstandig te allen tijde op gepaste afstand van het schoolplein te blijven. Een beetje chagrijnig word ik echter van De Graaf die zegt: ‘Het wordt gezien als jouw eigen keuze te gaan werken, en niet als iets wat andere moeders moeten opvangen’. Nee, natuurlijk niet!

Haar kinderen hadden er wel eens last van dat zij geen schoolpleinmoeder was, vertelt ze. Maar haar kinderen profiteerden ook van haar werk door mooie vakanties, hield ze hen voor. Dat is fijn voor haar maar dat gaat natuurlijk niet op voor alle werkende moeders, zeker niet voor de alleenstaande.

Helaas moesten haar kinderen wel eens vijf kwartier wachten tot zij kwam om haar kinderen luisvrij te maken. Doe dat thuis, denk ik dan, maar misschien zijn er inmiddels wel nieuwe luizenwetten. Aan de andere kant, je kunt ook gewoon ‘nee’ zeggen tegen de school.

Dan komt er toch nog een aap uit de mouw. Veel vrouwen vinden het gewoon lekker om drie dagen per week te werken. Ja! denk ik dan, ik ook! Ik werk om te leven, niet andersom. Daarnaast wil die diezelfde overheid – waarvan de minister een vertegenwoordiger is – graag dat we allemaal gaan mantelzorgen en vrijwilligerswerk doen. Ik ben benieuwd hoeveel uur de beide dames daaraan besteden.

Haal het maximale uit jezelf, hoorde ik een paar keer. Daar word ik altijd een beetje gejaagd van. Ik krijg dan een visioen van een boortoren die een oliebron helemaal leegpompt. Daar worden mannen ook niet blij van, vermoed ik. Wellicht wordt het tijd die vijf dagen per week eens los te laten en over te stappen naar vier dagen per week. Voor iedereen.