NIPT

Ik was 13 jaar toen mijn jongste broer werd geboren, mijn vierde broertje. Weer geen zusje dus, maar daar had ik me al bij neergelegd. Waar ik me niet meteen bij neerlegde was zijn Down-syndroom. Ik vond het al heel fideel van mezelf dat het deze keer ook wel weer een broertje mocht zijn, maar dit…!

Maar hoe gaat dat als je 13 bent, je went eraan en best snel ook. Na twee maanden gaf ik toe dat hij er ook niks aan kon doen, en na vier maanden was ik blij met hem. Gelukkig is hij ook heel blij met zichzelf, zeker als er een schommel in de buurt is, of voetbal op de televisie.

Ik moest daar aan denken toen ik het artikel van filosoof Marcel Zuijderland las in de NRC. Rap een beetje met die NIP-test, vindt hij, want de wereld is beter af zonder Down. Geïnteresseerd ging ik op zoek naar zijn argumentatie bij die stelling.

‘Liever een kind zonder Down-syndroom’, stelt Zuijderland, maar is dat hetzelfde als: mijn kind met Down-syndroom wil ik niet geboren laten worden? Het gaat immers niet om het Down-syndroom zelf, maar om het kind met dat syndroom? Een soortgelijke redenering wordt wel eens gebruikt bij een abortus of miskraam: ‘je kunt nog wel weer een kind krijgen’. Maar dat is onzin, dát ene kind krijg je nooit weer, en bovendien, wie garandeert je dat?

Terecht staat Zuijderland ook stil bij de rechtvaardiging van abortus op zich. Daarbij gaat hij alleen wel erg kort door de bocht: ‘Net zoals het voor geslachtscellen geen verschil maakt of hun potentie wordt gerealiseerd, geldt dat ook voor een foetus.’ Een zaadcel of een foetus van drie maand, dat lijkt me toch wel een heel groot verschil. Op dezelfde manier kun je ook een baby vergelijken met een volwassene: zal die zijn potentie ooit realiseren? En hoeveel volwassenen zijn er niet bij wie dat nooit lukt? En wat is dat eigenlijk, je potentie?

En dan deze: ‘Daarnaast gaat er voor een foetus niks verloren als het ophoudt te bestaan. Alleen voor wezens die voelend, denkend en handelend bij de wereld betrokken zijn staat er iets op het spel als hun voortbestaan een halt wordt toegeroepen.’ Wat zegt dat over baby’s, demente bejaarden, comateuze patiënten en ernstig verstandelijk beperkte mensen? Zuijderland spreekt zichzelf hier bovendien tegen. Een paar regels eerder schreef hij nog dat we dat nooit zouden toestaan bij kinderen die door een ongeval hersenletsel oplopen en daarmee hun zelfstandigheid, vermogen om te leren etcetera kwijtraken.

Zuijderlands toon is bovendien arrogant en neerbuigend. ‘Veel ouders zullen echter voelen dat ze hun kind in de steek laten met een abortus. Dat hoeft niet. Ze mogen zich bedenken dat ze afscheid nemen uit mededogen. Ze verstoten hun kind niet, maar voorkomen ‘slechts’ zijn geboorte in de wereld. Dat is nog steeds heel droevig, maar wel iets waar ouders zich beter mee kunnen verzoenen.’ Het zou zo uit de mond van een ouderwetse dominee kunnen komen, van die predikanten die ook altijd precies wisten hoe hun schapen met leed moesten omgaan, en wat ze wel en niet hoefden te voelen.

Ten slotte zou de samenleving beter af zijn zonder mensen met Down, stelt Zuijderland. Als argument geldt dat een directeur van een zorginstelling tegen hem zei: “Ik zou David graag een makkelijker en gelukkiger leven geven.” Ik ken David niet, maar ik ken heel veel mensen die ik graag een gemakkelijker en gelukkiger leven zou gunnen. Mensen met Down niet vaker dan mensen zonder.

Bovendien, waarom zou de samenleving beter af zijn zonder hen? Bereik je geluk door het vermijden van ongeluk en lijden? En wiens lijden moet vermeden worden, dat van mijn schommelende en voetbal kijkende broer?

Ik realiseer me heel goed dat handicaps – evenals ander ongeluk dat je kan overkomen- leed kunnen veroorzaken. Maar het leven is te complex om daar maar meteen uit de concluderen dat je er dan maar beter helemaal niet kunt zijn. En nu ga ik fijn schommelen met mijn broer.