Wielrenbroekje

Meestal sla ik moderubrieken over. Af en toe maak ik een uitzondering voor vooruitblikken als ‘We gaan groen-oranje strepen dragen in de herfst!’ of ‘Paars is het nieuwe zwart’. Het verslag in de Volkskrant van de fashionweek in Milaan echter vermocht mijn aandacht iets langer vast te houden. Reden: de woorden ‘wielrenbroekje’ en ‘glitterkilt’.

Ik sloot even de ogen en zag meteen hordes dames op middelbare leeftijd in wielrenbroekjes – vergezeld van heren in glitterkilt – in lange rijen over de stoep lopen. De horror. Maar de opzet was geslaagd, ik las verder.

Eerst de foto’s bekijken want beeld, daar gaat het bij mode toch om. Het was even doorbijten. De eerste dame droeg inderdaad een wielrenbroekje, zo’n strak geval met pijpjes tot halverwege de knieën, zeg maar een korte legging. Alsof we er daar niet al genoeg van hebben! Nu was dit nog zo’n meisje dat er ook in een jutezak en met een kaal hoofd nog appetijtelijk uitzag.

Het was de foto daaronder die me pas echt een hartverzakking bezorgde: was het wielrenbroekmodel nog gewoon slank, deze was graatmager. Ik werd een beetje misselijk. Armen en benen als stokjes, en geen boezem te bekennen (of die moest net onder een soort riem verdwenen zijn). Jukbeenderen die een paar centimeter uitstaken en holle ogen. Wanneer had de stakker de laatste keer gegeten? Vorige week?


Verder lezend en kijkend vroeg ik me voor de zoveelste keer af hoeveel stappen er tussen de modeshows en de kledingwinkels bij mij in de stad zitten. Minstens tien, schat ik, en terecht. Van de kledingstukken op de catwalk kan ik geen chocola maken. Ik zie mezelf in ieder geval nog niet lopen in een bruin badpak met een zalmkleurig satijnen rokje er schuin overheen geknoopt. En met afgezakte pantykniekousen in torenhoge rode stiletto’s erbij. Toegegeven, ik ben wel een stuk dikker dan het arme gratenmeisje.

Maar die wielrenbroekjes, daar ben ik nog niet zo zeker van. Die hangen vast vanaf volgend jaar bij duizenden in de rekken. “Kijk”, zegt zo’n winkelmeisje dan met een ijzeren glimlach, “Die draag je bij een bruin badpak.” En dan zwaait ze die sierlijk voor mijn neus.
“Nee,” zal ik dan naar waarheid antwoorden. “Dat mag ik niet van mijn moeder.”