Kervel

Kervel, bieslook en pepermunt, de heilige drie-eenheid van Sint Kruudmoes, staan weer in volle glorie in mijn moestuintje van twee vierkante meter. Wat moet ik met zo’n stukkie, dacht ik eerst, maar dat bleek ten onterechte. Wat moet ik zonder, denk ik nu.

Aan pepermunt is makkelijk te komen, zeker sinds de muntthee definitief zijn intrede heeft gedaan in het Nederlandse terraswezen. Kruizemuntblad is een goed alternatief (nee, hipstertheedrinker, kruizemunt is geen Marokkaanse munt maar gewoon kruizemunt).

Bieslook is ook geen vreemde meer. Maar kervel, kom daar eens om in de noordelijke streken. Negen van de tien keer hebben ze er hier niet van gehoord. De omissie! Wat een zegen is het kervel te kunnen plukken van je eigen grond. De heerlijke anijsachtige geur verspreidt zich meteen en in gedachten zie ik de kruudmoes al pruttelen.

Kruudmoes – ook dat moet de noorderling eerst worden uitgelegd – is het verrukkelijkste eten wat er maar bestaat. Kruudmoes, dat is logeren bij opa en oma, zien dat de kruiden in de opa’s moestuin hoog genoeg staan voor de oogst, daarna flessen karnemelkse pap in de koelkast zien staan, alsmede een Gelderse rookworst.

En opa’s moestuin, zo stelde ik me het paradijs voor. Er stonden aardbeien in, een struik kervel, een flinke pol bieslook, en pepermuntplant in een oude bodemloze emmer, om al te uitbundige verspreiding te voorkomen. Opa wreef altijd een blaadje pepermuntblad fijn tussen zijn vingers en liet me eraan ruiken: net als de pepermuntjes in de kerk!

Bij een paradijselijke tuin hoort paradijselijk eten. En daarom eten wij sinds jaar en dag minstens vier keer per zomer kruudmoes. Want ondanks dat een schooljuf me ooit vertelde dat de hemel er geenszins uitzag als opa’s moestuin maar meer als een soort eeuwige kooruitvoering, houd ik me toch maar vast aan opa’s moestuin. Zingen kan altijd nog.

Kruudmoes

Voorjaar betekent kruudmoes. En kruudmoes eet je tot je erbij neervalt of tot de kruiden die ervoor nodig zijn, voor Pampus in de tuin liggen. Net iets teveel vanaf geknipt…
Want natuurlijk kan ik niet zonder basilicum, tijm en rozemarijn maar de volgende drie kruiden zijn pas echt onmisbaar: kervel, bieslook en pepermunt.

Mijn eerste kennismaking met kruudmoes vond plaats bij opa en oma. Opa en oma waren reeds lang met pensioen maar dat weerhield opa er gelukkig niet van er een moestuin op na te houden.

Die moestuin heb ik lang voor het aardse paradijs gehouden. Toen een juf op school mij wijsmaakte dat je in de hemel ‘eeuwig mag zingen voor Gods troon’ was dat dan ook een hevige teleurstelling, al was het alleen maar omdat ik al vroeg doorhad dat ‘mogen’ in de kerkelijke gemeenschap waar ik opgroeide, eigenlijk ‘moeten’ betekende.

Maar voorlopig was het aardse paradijs nog voorhanden. Een tuin vol aardbeienplanten, boontjes (een gevolg van de zondeval, dacht ik), een Japanse wijnbes en, o heerlijkheid, kervel, bieslook en pepermunt.
Ik kan me nog goed herinneren dat opa een blaadje van de pepermunt plukte, het fijnwreef tussen zijn vingers en me liet ruiken.

Als ik geluk had, kocht oma karnemelkse gortpap, dikke rozijnen die ze eerst liet wellen en een echte Gelderse rookworst. Daar gingen de kruiden bij. Ik stond er met de neus bovenop als ze de kruiden sneed omdat dat zo heerlijk rook.
In mijn bord vol dampende kruudmoes schepte oma nog een lepel donkerbruine stroop. Heerlijk!

De kruudmoestraditie heb ik voortgezet bij onze eigen kinderen. En tot mijn grote verrassing smulde zelfs mijn Filippijnse schoondochter van deze echt Veluwse traktatie. Ik stuur haar deze week een zakje kervel- en pepermuntzaadjes want haar moeder heeft net zulke groene vingers als mijn opa. Het aardse paradijs ligt dan tevens op de Filippijnen.