Over admin

Journalist, eindredacteur CW, tekstschrijver en blogger, geïnteresseerd in het hoe en waarom van alles, behalve sport. @inekeevink.nl

Wekker

Ik ben geen technisch genie, ik heb er geen enkele moeite mee dat toe te geven. Maar helaas komen er meer en meer spullen met stekkers op de markt. Die gaan vaak vergezeld van een boekwerk met informatie over het gekochte product in dertien talen. Vaak beginnen ze met ‘Van harte gefeliciteerd met uw aankoop’.

Houd die felicitaties maar voor je, fabrikant, doffe ellende is mijn deel. Ik begrijp helemaal niets van die boekjes en ben ook in katern Nl (dat zich meestal ergens achteraan bevindt) al binnen een halve pagina de draad volledig kwijt. En dan begin ik zelf maar wat te proberen.

Zo kocht ik laatst een radiowekker. Noodgedwongen, want mijn oude was een eigen leven gaan leiden. Hij maakte me soms midden in de nacht wakker, of juist helemaal niet. Nu had ik natuurlijk voor zo’n blikken geval met bellen kunnen kiezen. Maar daarop zie ik ’s nachts niet hoe laat het is (behalve als ze van die enge radium-wijzers hebben), en bovendien hoor ik dan de hele tijd tiktak, tiktak. En dan slaap ik niet meer.

Ja, ik had ook zo’n wekker kunnen nemen.


Een nieuwe dus, en het exemplaar dat mij in de winkel aangeraden werd, was de simpelste die er maar bestond, verzekerde de elektronicameneer me. Echtgenoot stond er wat schaamtevol naast. Dat hij met zo’n atechnisch geval was getrouwd, wist hij al, maar dat ze zo hysterisch werd – ‘Ik wil de allermakkelijkste wekker die er maar bestaat’ – en zich daar niet voor schaamde, dat was toch wel next level.

Ik vertrok met een wekker, maar vertrouwde het maar half. En dat bleek eenmaal thuis volkomen terecht. Ik had nog zo gezegd dat ik een wekker wilde die me op tijd wakker maakte, en niet meer. Maar ik kreeg een apparaat waar je zo’n beetje alles mee kon: dagelijks wakker worden om 7 uur, of alleen op alle werkdagen, of maar één dag tegelijk. Er zitten dertien knopjes op, dertien! Voor één keer wekker zetten moet ik 12 keer een knopje indrukken. En dat is de eenvoudigste? Hoe moet je dan in de vrede een ingewikkelde wekker instellen?

Ik weet dat ik ook mijn mobiele telefoon naast mijn bed kan leggen en dan kan zeggen: “Google, wek mij om zeven uur”. Maar ik vertrouwen meneer Google niet, die weet al veel te veel van me. Bovendien wil ik niet met mijn telefoon naar bed.

Inmiddels weet ik hoe het werkt met de wekker. Het gaat na twee maanden prutsen en te vroeg dan wel te laat wakker worden bijna vanzelf. Word nou niet overmoedig, houd ik mezelf voor. Straks heb je even vakantie en dan zet je geen wekker. En daarna is alles weer weggezakt in dat armzalige technisch geheugen van je. Ik ben gewoon definitief te oud voor deze wereld.

Sneakers

‘Dit mag toch wel, hè,’ twitterde iemand in mijn tijdlijn. Op de foto stond een vrouw in een prachtige zwarte chique jurk, klaar voor een feest of iets anders deftigs. Maar het ging niet om de jurk, het ging om het schoeisel: sneakers. Witte.

Nu heb ik altijd al een afkeer gehad van de sneaker. Alleen het woord al: sneaky betekent stiekem, en daarom doet het woord sneaker me denken aan bordeelsluiper, ook al zo’n foeilelijke schoen met een vervelende connotatie. Ik weet het, het gaat wat snel, maar zo associatief werkt mijn brein nu eenmaal. Bovendien zijn sneakers sportschoenen, en ik heb een hekel aan sport.

Er zijn zelfs vrouwen die het bestaan sneakers te dragen bij hun trouwdag. Beeld Pixabay


Ik ben dus tegen de sneaker. Hoe vaak me ook door reclame wordt bezworen dat ‘de sneaker niet in je schoenenkast mag ontbreken’, ik weiger die dingen aan te schaffen. En sneakers met van die ingebouwde hoge hakken of plateauzolen zijn al helemaal vreselijk. Alsof je door de maffia in een bak zacht beton bent gezet en je jezelf er daarna hebt uitgekapt. En zo bewegen de meeste vrouwen zich er ook op voort.

Waar de mode vandaan gekomen is, is me een raadsel. Als reactie op hoge hakken en ander oncomfortabel zittende schoenen, opperde iemand ooit. Het is een teken van emancipatie, vrouwen laten zich niet meer aanpraten dat hoge hakken sexy zijn en dat ze dus met kramp in de kuiten – en op termijn een halux valgus – door het leven moeten.

Dat lijkt me een valide reden. Maar waarom moet je dan meteen in het andere uiterste schieten, en van die lompe bakken aan je voeten schuiven? Er zijn toch ook wel mooie en lekker zittende schoenen zonder hak te vinden?

Geef mij maar de ouderwetse hoge basketbalgympen, van katoen. Ik zweer erbij. Ze zitten fantastisch en je kunt ze zo in de wasmachine gooien als je er mee door de modder hebt gelopen. En onder een chique jurk doe je gewoon chique schoenen aan. Met of zonder hakken.

Echte helden

De helden van tegenwoordig zijn jong en vrouw, schreef Caroline de Gruyter in NRC van 16 augustus. De Pakistaanse Malala Yousafzai die na een moordaanslag gewoon naar schoolgaan blijft gaan en dat blijft bepleiten, de Zweedse Greta Thunberg die stug doorzet met actievoeren voor het klimaat, al valt de hele (rechtse) wereld ook over haar heen.

Het begrip held is in Nederland aan inflatie onderhevig. Voetballers die op het juiste moment scoren zijn hier helden. Mensen die de Elfstedentocht zwemmen voor een goed doel, en mensen die iets liefs doen voor een ander, of die daar heel mooi over kunnen praten.

Mensen die iets zeggen waar half Nederland het al mee eens is maar wat twintig jaar geleden wat minder bon ton was. Of mensen die hun werk doen, zoals politieagenten en brandweerlieden. Mensen die hartmassage toepassen omdat ze daar een cursus in hebben gehad, en mensen die een hondje uit het kanaal vissen dan anders reddeloos verloren was geweest.

Toegegeven, de wereld wordt niet slechter van zulke mensen, maar ik heb toch een ander idee bij een held. En dan denk ik nog niet eens aan Braveheart of Ivanhoe, maar een beetje levensgevaar mag er toch wel bij zitten.

De Gruyter heeft trouwens een blinde vlek: aan de andere kant van de wereld strijden jonge helden voor vrijheid van meningsuiting en democratie in Hongkong. Met gevaar voor eigen leven en erger. Echt gevaar.

Daar zijn vrouwen bij zoals Agnes Chow, maar zeker ook mannen, zoals Nathan Law en Joshua Wong, leider van Demosisto: een ‘progressive, movement-oriented youth activist group in Hong Kong that advocates self-determination, both internal and external’, zoals ze zelf zeggen op hun Twitter-account.

Weekend na weekend gaan ze de straat op, die Hongkongers. Al veertien weken achtereen. Ze nemen het op tegen een van de machtigste landen van de wereld, tegen nietsontziende machthebbers en een systeem dat 1,3 miljard mensen in de houdgreep heeft. Succes is bepaald niet gegarandeerd en hun veiligheid al helemaal niet.

En daarom breng ik hulde aan de echte helden, al die mensen aan de andere kant van de wereld, die doorgaan met hun protesten. Hulde! En of het mannen of vrouwen zijn, zal me worst wezen.

Agnes Chow en Joshua Wong. Foto Iris Tong

Lunch-interview

Ik lees ze altijd, de lunch-interviews in de NRC. In een kadertje naast of onder het artikel staat de rekening van de lunch, want natuurlijk neem je geen van te voren gesmeerde boterhammen en een pakje karnemelk mee voor zoiets. Zo armlastig is de krant nu ook weer niet. Ook in welk etablissement de lunch is verorberd en wat een en ander heeft gekost, wordt vermeld.

Na het interview bekijk ik het lijstje vaak nog eens, want hoewel ik het eerst een stom idee vond, dat kadertje, als het er toch eenmaal staat dan wil ik het weten ook. En dan val ik mijzelf vaak tegen. Onwillekeurig ga ik beoordelen wat ik ervan vind: ‘Nou nou, die heeft een dure smaak… wat een aanstelleritis. En ook nog een glas wijn erbij. Of twee.’ En wellicht volkomen ten onrechte. Want je betrekt het eten en drinken automatisch op de geïnterviewde, maar de journalist eet ook mee. Misschien is die wel de zuipschuit.

Wát er precies wordt gegeten, verschilt natuurlijk nogal. In Het Wapen van Ermelo staan vast andere dingen op het menu dan op de kaart van een net uit de gracht getrokken eetcafé in de hoofdstad. Hoewel, de eetcultuur hier te lande snelt vooruit, als ik de lunch-interviewkaders mag geloven. Je blijkt ook buiten de Randstad meer keuze te hebben dan een tosti, een uitsmijter of een kom tomatensoep uit blik met een wit bolletje erbij.

Grappig genoeg trekt het menu zich niets aan van eventueel aanwezige vooroordelen, ook een Syriër kan dol zijn op boerenkool en er zijn Groningers die van balut houden. Misschien was dat de stiekeme opzet, NRC? Of is het een manier om de secundaire arbeidsvoorwaarden van de journalist op te krikken: “Oké, doe jij dat interview maar in een chique restaurant. Je mag de kosten declareren maar dan wil ik wel een bonnetje zien.” Het zou zo maar kunnen.

Maar ter vervolmaking van het concept moet de geïnterviewde nog meer prijs geven dan een eventuele glutenallergie of veganistische levensstijl. Er staat nog een heel rijtje eigenschappen en voorkeuren onder, en het is mij nooit geheel duidelijk wat er precies wordt bedoeld. Je burgerlijke staat spreekt voor zich, en welke sport je eventueel beoefent ook, maar ‘boek’? Wat je het laatst gelezen hebt, wat je het mooiste of waardevolste vindt, of juist dat waar je nachtmerries van kreeg? En maar één? Ik word altijd licht nerveus van zo’n vraag. En mij wordt niet eens iets gevraagd…

Film staat er ook nog onder, en muziek. Mijn hemel, wat een vragen! Welke film hangt helemaal af van wat ik het laatst heb gezien, en welke muziek zegt vooral veel over mijn gemoedsgesteldheid op dat moment. Ik wil maar zeggen, lunchen en geïnterviewd worden tegelijkertijd kán, maar je moet niet overdrijven. Ik neem zelf wel wat mee.

Kwaliteit

Ik moet minder gaan twitteren. Dit goede voornemen had ik bijna weer laten varen toen ik een filmpje zag dat op Twitter was gepost. Het was een YouTube-filmpje met een volgens de betreffende twitteraar inhoudelijk briljant lied. Mochten er meer zulke liederen geschreven worden, was de diepe wens van de twitteraar.

De tekst is inderdaad een stuk beter dan bijvoorbeeld ‘De rivier’, Lied 642 uit de bundel Opwekking. Elke keer wanneer het lied op de liturgie staat die bij de ingang van de kerkzaal wordt uitgereikt, vraag ik mij af of het niet zaak is het pand met gezwinde spoed te verlaten. Dit vooral vanwege de dwingende teksten als ‘Vader, kom, ontmoet mij hier’, ’Ik wil u daar ontmoeten, Heer’. Wat impliceert dat de Heer welhaast verplicht is aan die eis te voldoen. Of zoiets. Opvallend vaak hebben liederen uit Opwekking die dwingende toon: doe dit, nu, elke dag, altijd. Want ik wil het.

In dit filmpje is het filmisch dieptepunt overigens dat bij de zin ‘Ik leg alles voor u neer’ een klein meisje in balletjurkje te zien is dat een spagaat en buiging tegelijk maakt. De beelden bij de liederen zijn trouwens een verhaal apart. Er spelen opvallend veel blonde jezussen met blauwe ogen een rol, die met een verheven blik door een op de knieën liggende of devoot omhoog kijkende massa mensen schrijden. ‘De schare’ bestaat voor het merendeel uit in vale lappen geklede figuren, zo weggelopen van een filmset waarvan de kostuummaker met een natte vinger in de lucht heeft gegokt dat dit wel zo’n beetje de mode zal zijn geweest uit het jaar nul of daaromtrent.

De teksten zelf die – om de liederen eenvoudig karaoke-gewijs mee te kunnen zingen – in beeld verschijnen, staan negen van de tien keer vol spelfouten. Creatief zijn met taal is prima, maar laat dan op zijn minst voor je die creaties op het internet gooit, even iemand meekijken die er verstand van heeft, is mijn dringende verzoek. Voor vertalingen geldt hetzelfde: Google-translate is niet genoeg!

En dan nog een laatste waarneming: waarom hebben de zangeressen van dit soort liederen altijd zo’n lief stemmetje? Nooit eens een keer een lekker diepe altstem of een schurend doorrookte whiskey-klank, altijd maar dat zijige zoetgevooisde gekweel. Voor de mannen geldt overigens hetzelfde: tenoren, vrijwel zonder uitzondering.

Er zijn genoeg mensen die er dol op zijn, maar ik krijg er jeuk van. Het is een flinke aanslag op mijn geduld en deed afbreuk aan menig kerkdienst. Het vervelendste is misschien nog wel dat een gesprek over kwaliteit vrijwel altijd eindigt in de stelling dat over smaak niet te twisten valt. En dat is nu precies het probleem. Want over kwaliteit valt wel degelijk te twisten. Maar dat gebeurt niet, bang voor ruzie als we zijn. Of er is domweg gebrek aan kwaliteit in christelijke kring.

Mede met die laatste gedachte in het achterhoofd verzoek ik nu alvast iedereen die het lied ‘Yet Not I But Through Christ In Me’ in het Nederlands wil vertalen, dat vooral NIET te doen.

Goed bevallen

Eeuwenlang was alles rond zwangerschap en bevalling het terrein van vrouwen. Tot de man de verloskamer binnenkwam, ergens in de 18e en 19e eeuw, en natuurlijk al daarvoor als de barende uit de betere stand afkomstig was.

Niets ten nadele van gynaecologie, maar in de tijden dat mannen in die tak (en alle andere takken) van wetenschap de dienst uitmaakten, bepaalden zij wat er gebeurde. Vanaf dat moment was liggend bevallen de norm, in plaats van zittend of hurkend, want anders had de dokter geen zicht op het moment suprême. En door de knieën gaan was natuurlijk beneden de waardigheid van de weledelgeleerde heren van toen. Als er één terrein is waarop vrouwen jammerlijk werden gemist in de wetenschap, is het toch wel de verloskunde.

Waren er maar meer vrouwen geweest als Catharina Schrader (1656-1746). Ik hoop dat er ergens in Nederland een standbeeld voor haar is opgericht. Catharina Schrader was een ongekend kundige vroedvrouw die zelfs de meest gecompliceerde bevallingen tot een goed einde wist te brengen. Wij weten nog van haar omdat zij een dagboek in telegramstijl bijhield.

Een en ander wil uiteraard niet zeggen dat mannen geen positieve bijdrage kunnen hebben. Integendeel. Persoonlijk heb ik veel gehad aan Childbirth without fear, van de Britse arts Grantley Dick-Reed, dat ik van mijn moeder kreeg. Geweldig vond ik het, en tijdens elk van mijn vijf zwangerschappen las ik het opnieuw. Door dat boek ging ik geloven in en vertrouwen op mijn eigen lichaam, en leerde ik het nog beter kennen.

En nu las ik vandaag een vlammend betoog tegen meneer Dick-Reed, van de hand van Leonie Breebaart in Trouw. Een paternalistisch boekje noemt Breebaart het, omdat hij als man vrouwen wel even zou vertellen dat baren geen pijn hoeft te doen. Nee, dan liever ‘Duik in je weeën’, een boek dat Breebaart zelf las.

Maar je moet helemaal niet in je weeën duiken, dan ga je kopje onder. Je moet weten wat er aan de hand is in je lichaam, je moet je lichaam kennen en weten wat er gebeurt. De taal waarin je daarover nadenkt, doet ertoe. Ik ontdekte gaandeweg het grote voordeel van zo’n boek in het Engels lezen. Dan lees je over contractions en labour, in plaats van weeën en pijn. Ja inderdaad, het is een mindset, en wel eentje die je helpt om de regie te houden tijdens het bevallen. En dat is toch wat je wil als feminist: de regie houden over je eigen lijf en dus ook over je eigen bevalling. Of het aan mij lag, aan het boek of aan iets anders: ze waren allemaal bijna zonder pijn. Het was wel hard werken – wat door het woord labour zo treffend wordt weergegeven – maar dat is iets anders dan pijn lijden.

Wat kan mij het schelen dat het boek door een man geschreven is, als die man er zo duidelijk blijk van geeft dat hij aan deze kennis gekomen is door te luisteren naar vrouwen. Want dat is het geval bij Dick-Reed. En dat hij paternalistisch was… soit. Je hoeft het toch niet eens te zijn met zijn ideeën over vrouwen (waar ik het inderdaad volstrekt mee oneens ben) om te kunnen profiteren van zijn medische inzichten? Je gaat toch ook niet Ford boycotten omdat de oprichter van die autofabriek niet deugde?

Bovendien, alles beter dan de weeïge zeverboeken over ‘in je kracht staan’, de infantiele pufklasjes en de ‘geef-mij-maar-een-ruggeprik’-roepers, omdat pijn lijden ‘niet meer van deze tijd’ zou zijn. Daarmee geef je pas echt de regie uit handen.

Stefanus en Ursus

Morgen is het weer zo ver. Met een vriendin ga ik een rondje Groninger oude kerken doen. We doen dat nu al een paar jaar en dachten we eerst na twee of drie rondjes naar een andere provincie te moeten uitwijken, dat blijkt reuze mee te vallen. Er staat morgen een rijtje kerken op het programma die we nog niet eerder hebben gezien.

De cultuurbarbaar die denkt dat Groningen qua cultuur en geschiedenis niet zo interessant is, zou eens eens een kijkje kunnen nemen op www.groningerkerken.nl. Niet te geloven wat je allemaal ziet. O ja, wel even inzoomen op de kaart, want dat zie je de enorme rijkdom van het Groninger land pas goed.

Neem de Stefanuskerk in Holwierde. Net zo oud als de Notre-Dame! En geen klein schattig dorpskerkje maar een uit de kluiten gewassen gebouw. Ook de binnenkant mag er wezen: er staan twee sarcofaagdeksels uit de 12e eeuw tegen een muur, er staan fijnzinnige fresco’s op de plafonds en de muren. De Ursuskerk in Termunten staat ook op het programma. Het stamt uit in ieder geval de 12e eeuw, en mogelijk eerder.

In de Jacobuskerk in Zeerijp met zijn werkelijk schitterend interieur waren we al eerder, net als in de Andreaskerk in Westeremden, de Dionysiuskerk in Uithuizen, de Mariakerk in Krewerd, en nog zoveel meer.

Toen de Notre-Dame in brand stond, keek de westerse wereld toe en treurde. En terecht. Maar nu de aardbevingen de kerken en kerkjes die net zo oud zijn langzaam verwoesten, haalt Nederland verveeld zijn schouders op. Kan er uit Groningen iets goed komen? Nou ja, behalve gas dan…

Nog een paar dagen, en de Stichting Groninger Oude kerken viert haar 50-jarig jubileum. De stichting doet haar uiterste beste nog zoveel mogelijk te behouden. Misschien kan de rest van Nederland eens laten zien hoe belangrijk ze het erfgoed in het noorden van het land vinden door voor 17,50 per jaar donateur te worden.

En misschien is het de moeite waard deze zomer eens de lange reis naar het hoge noorden aan te vangen voor een portie ongekende cultuur. De Notre-Dame is voorlopig toch nog niet klaar.

Foto CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=1120048

Staken

Het hele onderwijs staakte. Dat wil zeggen niet ‘al het onderwijzend personeel’, maar onderwijzend personeel van basisschool tot universiteit. En dat was voor de eerste keer. Het water staat het onderwijs tot aan de lippen, maar dat wisten we al.

Niet alleen in het onderwijs, in de hele publieke sector staat het water tot aan de lippen. Dus ook in de zorg, bij de politie, de rechterlijke macht, en zo meer. Maar omdat er steeds per sector gestaakt en gedemonstreerd wordt, lijkt het alsof die sectoren ten opzichte van elkaar moeten gaan bewijzen hoe erg het wel niet is, en dat er juist bij hen ècht meer geld bij moet.

Het resultaat is voorspelbaar. “Wat nou, salarisverhoging,” hoorde ik een werknemer in de zorg zeggen. “Hoeveel denk je dat ik verdien? Ik zou m’n handen dichtknijpen met zo’n inkomen!” Het probleem ligt uiteindelijk ook niet bij het al dan niet te lage salaris op zich. Het werkelijke probleem is dat je heel aardig moet verdienen – al dan niet met z’n tweeën maar zeker als je alleen de kost verdient – wil je niet meer in aanmerking komen voor toeslagen. En dat is raar. Want als je een hbo-functie hebt en je kunt daarmee niet genoeg verdienen om gewoon je gezin te kunnen onderhouden, dan is er iets behoorlijk mis.

Het is het bekende verhaal. Jarenlang is er bezuinigd op lonen, behalve dan dat er af en toe een procentje bij komt. Maar zoals cijfers van de Rabobank al aantoonden, is het besteedbaar inkomen er in de afgelopen veertig jaar nauwelijks op vooruitgegaan. Wie er wel op vooruitgingen waren de grote bedrijven met hun aandeelhouders, die ook nog eens voor een deel in het buitenland zitten. En die bedrijven sloten bovendien deals met de belastingdienst waardoor winsten kunstmatig werden gedrukt, en soms zelfs helemaal niets werd betaald. Want ja, die banen, hè…

Maar de wal keert het schip al. Scholen moeten nu dure ZZP’ers inhuren, hun eigen oude werknemers. Ziekenhuizen idem dito. Tel uit je winst!

De vakbonden lijken alleen machteloos toe te kunnen kijken. Bestrijden de bonden elkaar? Gunt de onderwijsbond de politiebond niks? Zijn de bonden definitief te klein geworden? Ondertussen spint de overheid garen bij deze gang van zaken. Je gooit een paar miljoen hier over de schutting, een paar miljoen daar, waar maar het hardst wordt geschreeuwd, gedemonstreerd of gestaakt. En verder is het gewoon pappen en nathouden, want mensen die in de publieke sector werken, hebben hun werk meestal niet uitgekozen omdat je er zo lekker mee verdient. Die laten de boel heus niet in de steek.

Er zit maar één ding op. Staken. En dan allemaal, de hele publieke sector, politiemensen, de rechterlijke macht, ziekenhuispersoneel, onderwijspersoneel, mensen die in de zorg werken. Stel je voor, alle mensen in de publieke sector doen helemaal niets meer, één dag is al genoeg. Maar zo lang zij de handen niet ineenslaan, worden ze tegen elkaar uitgespeeld.

TLC-verslaving

Sinds enkele maanden ben ik ten prooi gevallen aan TLC, of preciezer aan de programma’s Say yes to the dress, en afgeleides als Bride gone styled en Something borrowed, something new.

Dit is een bekentenis, beste lezer, want tot voor kort wendde ik mij ter ontspanning tot documentaires en de betere film. Voor de gebroeders Coen, met de Fargo-series bijvoorbeeld, kon je me middenin de nacht wakker maken. Maar mijn goede smaak verkeert in een hardnekkige winterslaap.

Liggend op de bank, met de afstandsbediening binnen handbereik om reclame en saaie stukken door te spoelen, vermaak ik mij met volkomen hersenloze televisie. Heerlijk! Het ene verwende nest na het andere passeert de revue, de ene failliete vader na de andere kaalgeplukte oma, ik kan er geen genoeg van krijgen.

Want allemachtig, wat kosten die jurken veel! Houden sommige bruiden het nog bescheiden bij 1000 tot 1500 dollar, bij andere is the sky the limit, of liever gezegd, de bodemloze put. “Mijn schatje is mijn alles,” zegt zo’n blinde vader dan. Want blind zijn ze, die mannen. Hun dochter is het waard, net als de kennelijk al ondergane borstvergrotingen en neuscorrecties. Met als gevolg dat ze er allemaal hetzelfde uitzien.

De dochters zelf lijken het allemaal heel gewoon te vinden. Twaalfduizend dollar voor een jurk die je één dag draagt, nou en? En dan staan ze voor de spiegel en komt het tengere lijfje toch niet helemaal tot zijn recht, wat in een aantal gevallen trouwens volkomen voorspelbaar is als tenger niet helemaal het juiste woord is, of de taille bij voorbaat onvindbaar blijkt. Ook een reden voor afwijzing: mijn moeder huilt nog niet, want dat is the proof of the pudding.

Andere aanstaande bruiden dragen jurken die letterlijk stijf staan van het kant en de bling, en dan is het nog niet genoeg. “Er mist nog iets…. Ik vind de onderkant van de rok wat saai.” Mens! Saai? Het is het enige deel van de jurk waaraan je nog kunt zien dat er überhaupt een einde komt aan de anafylactische shock van tule en ruches!

Toch komt er langzamerhand een einde aan het TLC-tijdperk, merk ik aan mijzelf. Ik spoel steeds meer door – vooral de tenenkrommende lofzangen op de aanstaande bruidegom, die zeker weten na een half jaar toch wat tegenvalt, getuige de torenhoge eisen aan jurken.

En bovendien omdat het toch wel heel veel van hetzelfde is. “Ik voel me net een prinses,” kirren de dames in 90% van de gevallen. En echt spannend is de jurkenkeuze zelden, met al die wijde dan wel zeemeerminrokken en strapless bovenkant. Om nog maar te zwijgen over het bruidsmodezaakpersoneel…

Ik ben blijkbaar toch aan het afkicken.

Tweede Kerstdag

Tweede Kerstdag is net zoiets als een wormvormig aanhangsel. Je bent ermee opgegroeid maar je hebt geen idee waarvoor het dient. Tegen infecties, zo las ik eens, maar dat was een gokje. Voor mij bestaat Tweede Kerstdag vooral uit het bijkomen van Eerste Kerstdag, die dit jaar overigens een groot succes was qua gezelligheid en lekker eten.

Vroeger hadden we op Tweede Kerstdag ’s morgens een gewone kerkdienst en ‘s middags het kinderkerstfeest, met een verhaal, warme chocolademelk, een boekje en een sinaasappel. Dat betekende dat je met een beetje pech in drie dagen vijfeneenhalf keer achtereen naar de kerk ging: op zondag twee keer, op Eerste Kerstdag (stel die viel op een maandag) ook twee keer en op Tweede Kerstdag anderhalf keer. Je zou er afvallig van worden.

Meestal was er dus geen chocolademelk en een kinderverhaal, maar alleen een preek. Nu was ik als kind zeer bedreven geraakt in het mijzelf bezighouden tijdens de preek, zozeer zelfs dat ik met een jaar of 18 (vroeger waren de mensen eerder volwassen) mezelf opnieuw heb moeten aanleren om gewoon eens te luisteren naar wat die man (toen nog) op de kansel eigenlijk te zeggen had. Om te constateren dat het zeer regelmatig ging om stokpaardjes, onversneden moralisme en typische predikantengewoontes als semantiek en woordspelletjes.

Maar een jaar of 20 geleden ben ik van vrijgemaakt-gereformeerd – via de Nederlands gereformeerde kerk – gewoon protestants geworden en dat scheelt een hoop diensten, en dus ook een hoop preken. Ik wilde dat ik kon zeggen dat de preken wel een stuk beter zijn, maar dat is helaas niet steeds het geval. Ze zijn wel een stuk korter, en dat maakt ook al uit, in aanmerking genomen dat een preek van vroeger voor minstens de helft uit herhalingen bestond, die in het gebed nog weer eens dunnetjes werden overgedaan.

Het scheelt in ieder geval een dienst op Tweede Kerstdag, en vandaar dat ik nu een blogje zit te tikken. Daarvoor is die Tweede Kerstdag dus, om terug te kijken op de Eerste en op al die andere kerstdagen in het verleden. Weer wat geleerd!