Bruid

Wat ik heerlijk vind na een lange dag werken, is onderuit gezakt op de bank kijken naar Say Yes to the Dress. Zo, die bekentenis is gedaan.

Doorwrochte documentaires, filmhuisfilms, interessante series over de Egyptische cultuur of de ontwikkeling van het veertiende-eeuwse Florence, het is allemaal mooi en prachtig. Maar Say Yes to the Dress is mijn toeverlaat in tijden van stress en dreigende oververmoeidheid. Kijken én commentaar leveren, welteverstaan. Mijn voorkeur gaat daarbij uit naar Curvy Brides en de afleveringen met mode-icoon Gok Wan. Verrukkelijke televisie!

De dames van Curvy Brides – zelf ook curvy – zijn ware psychologen in de stijl van good cop, bad cop: invoelend en meelevend (good), en recht voor de raap (bad). Uit welke afmetingen de rondingen van de aanstaande bruid ook bestaan, ze vertrekken allemaal met een jurk die niet alleen past maar ook prachtig staat. Het is echt vakwerk en een kunst op zich, alleen al daarom is het een plezier om naar te kijken.

Gok Wan is een ware tovenaar met kant, satijn, strikken, linten en alles waaruit een trouwjurk nog meer kan bestaan. Hij spelt de jurk af, knipt er desnoods in om het gewenste effect te sorteren en heeft eindeloos geduld. Je zou iedere bruid zo’n bruidsjurkenman toewensen.

Vreemd
De wereld van de bruidsmode is mij ondertussen volkomen vreemd. Ik houd van wol, linnen en katoen, en van comfort: niks mag knellen, afzakken of opkruipen. Aan mijn lijf geen sjaaltjes of bungelende kettingen, oorbellen tot de schouders en kapsels waar je niet aan mag frunniken. Als ik onderuit gezakt op de bank hang, draag ik een comfortabele joggingbroek, zit mijn haar in een staart en liggen de oorknopjes weer veilig in hun bakje. Waarom is SYTTD dan toch zo’n heerlijk programma?

Natuurlijk, er zijn mooie jurken te zien in SYTTD, maar uniek of bijzonder is de jurk zelden. Interessanter is het gezelschap dat de bruid altijd meeneemt naar het jurkenspektakel. Minstens twee mensen gaan er mee, tot zelfs acht.

Dat laatste is natuurlijk vragen om problemen. Er is altijd wel iemand die de favoriete jurk van de aanstaande bruid afkraakt. Te veel kant, te weinig zicht op de boezem, of – dodelijk – dik makend. Er is er altijd één die het voortouw neemt en bepaalt waar de rest van het gezelschap in meegaat: mooie jurk, hoor, maar dan voor iemand anders…

Heerlijk is ook als leden van het gezelschap apart of met z’n tweeën voor de camera hun beweegredenen kenbaar maken. ‘Deze jurk past niet bij haar, daar krijgt ze spijt van!’ Of: ‘Ze kan niet kiezen, dus we móeten haar wel helpen.’ En ook: ‘Ik ben altijd eerlijk’, terwijl je denkt: was er maar iemand eens eerlijk tegen jou.

Moeders
De moeders zijn een categorie apart, de moeders zijn altijd het ergste. Ik kan me er niets bij voorstellen, maar er blijken hordes moeders te zijn die vanaf dag 1 (de geboorte van de dochter) bezig zijn met de trouwjurk die het kind ooit zal dragen. Al staat de bruid smekend voor haar in haar droomjurk, er zijn altijd moeders die onvermurwbaar blijven. ‘Ik heb je me altijd voorgesteld in een prinsessenjurk’, perst ze dan uit haar samengeknepen mondje.

En wee je gebeente als ze de jurk ook nog zou betalen, want dat doen ze alleen als hun keuze wordt gevolgd. ‘Wat een loeder!’ roep ik dan vanaf de bank. Belangrijkste les lijkt mij dan ook dat je te allen tijde je eigen jurk moet betalen.

Regelmatig zijn er mensen die vinden dat de jurk te saai is. Het lijfje is volledig bezet met kralen, kant en borduursel, de rok is zo wijd dat de bruidegom er wellicht niet eens bij kan voor de kus na het jawoord, maar de entourage ‘mist nog wat’.

Genieten, dit soort televisie. Het gaat nergens over en tegelijkertijd gaat het over het interessantste onderwerp ooit van alle films en series die er zijn: de mens. In dit geval de mens die gaat trouwen en haar familie en vrienden. Alles komt naar boven: oud zeer, onuitgesproken grieven en jaloezie, maar ook onvoorwaardelijke liefde, vriendschap en loyaliteit.

Dynamiek
Er zijn in bijna steeds alleen vrouwen aanwezig, een toevallige vader of modegevoelige broer daargelaten. En dat geeft een dynamiek die me fascineert. Opgegroeid met alleen broers en moeder van alleen zonen, is dit een wereld die ik niet ken.

Net als bij programma’s over de Egyptische cultuur of het veertiende-eeuwse Florence kijk ik van de buitenkant naar binnen. Ik probeer te doorgronden waarom bruid en entourage zeggen wat ze zeggen en doen wat ze doen. Ik volg de voor mij onbegrijpelijke dynamiek in een groep vrouwen alsof het een kudde bonobo’s zijn. Fascinerend! En wat een geluk: ik bén al getrouwd.

Zemelen

Het was even schrikken: Albert Heijn heeft de haverzemelen van de firma Molensteen uit het assortiment gehaald. Is dat erg? Ja, dat is erg.

Het is vooral erg als je ziet wat er nog meer in de schappen staat: zeker veertig soorten ontbijtgranen, zoals havervlokken met proteïne (huh?), krokante muesli in allerlei soorten, en bran flakes.

Bran flakes! Bran, dat is toch zemelen? Zou het dan toch… Nee, leert het etiket, bran flakes bevatten 75% volkoren tarwe, 15% tarwezemel, suiker, gerstemoutextract, zout, plus extra ijzer en vitaminen. Per honderd gram zit er 10 gram suiker in. Even ter verklaring van mijn chagrijn: in gewone, onbewerkte, simpele haverzemelen zit precies nul gram suiker.

Zevengranenontbijt is ook een vondst. Zeven granen? Poehpoeh, dat is vast heel gezond. Maar 88 procent is gewoon tarwemeel, en de overige zes granen maken per soort precies twee procent uit. Wat een variatie, daar zullen de darmen blij mee zijn!

Maar het kan nog veel erger. Zo vond ik honingringen, ontbijtdingetjes met maar liefst 24 ingrediënten en 17 gram toegevoegde suikers, zoals glucosestroop. De suiker is op zich al erg genoeg, maar als je ontbijt zo gezond is, waarom moeten er dan nog zo veel vitamines aan toegevoegd worden?

Je kunt ook ontbijten met Chocoschelpen. Ze bevatten bijna 8 procent cacao. Daar krijg je de melk waar ze in geserveerd worden net lichtbruin mee. Wil je meer chocolade, dan is er ‘AH Special Flakes pure chocolade’. Afgezien van het overbodige Engels, wat let je om een rubberen hamer ter hand te nemen en een stukje chocoladereep te pletten? We bewegen toch al te weinig. Voeg de cacaosnippers bij de havermout (gewone havermout alstublieft, van merk X of zo) en voilà, een luxe ontbijt voor de liefhebber van chocola.

De trend spreekt voor zich: steeds ingewikkelder producten, steeds fraaiere verpakking, steeds zoeter, steeds ongezonder en steeds smeriger. Je zult zien, er is als het zo doorgaat straks ook geen havermout meer te koop, alleen nog ‘volkoren oatmeal extra strong met aardbei’, of zo. Help, firma Molensteen, help!

Klimaatspagaat

Ik zit in een spagaat. Eigenlijk zou ik blij moeten zijn met het klimaatactivisme en met alles en iedereen die zich inzet voor een schone aarde. Fijn, bondgenoten! Maar in plaats daarvan erger ik me vooral.

Lang geleden, ik was een jaar of twintig, sprak ik mij voor het eerst publiekelijk uit tegen milieuvervuiling. Dat gebeurde tijdens een vergadering van het toenmalige Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), waar ik per ongeluk verzeild was geraakt. Onderwerp: het milieu. Begin jaren tachtig was dat nieuw terrein voor deze partij.

De conclusie van de spreker luidde dat we best iets aan het milieu konden doen, als dat maar niet ten koste ging van de economie. Die stond er in die tijd namelijk niet florissant voor: massawerkloosheid, torenhoge hypotheekrente en algehele economische malaise. Milieumaatregelen kosten geld, was de onuitgesproken vooronderstelling.

Er was gelegenheid tot het stellen van vragen, en ik vroeg hem wat er toch gebeurd was met de door het GPV altijd zo aangeprezen eigen verantwoordelijkheid. Hoongelach was mijn deel. Dat zou toch allemaal niets helpen. Bovendien, ik rookte toch? Was dat dan geen milieuvervuiling?

Ik denk de laatste tijd regelmatig terug aan die avond. De podcast van theologie.nl, waarin Elsbeth Gruteke met klimaatactivist en dominee Lieke Weima sprak, bracht hem nog dichterbij.

Wat Weima betreft, moeten we elkaar niet op persoonlijk gedrag aanspreken, want we leven allemaal in een systeem dat niet deugt. Gelukkig maar, herademde Gruteke, want vegetariërs en veganisten kunnen akelig uit de hoek komen tegen mensen die wel vlees eten. De officier van justitie die een Extinction Rebellion-activist onlangs tegenwierp dat hij net op wintersport was geweest, zat er volgens Weima dan ook naast: geen moralisme alstublieft.

En toen stond ik weer even in dat vergaderzaaltje in Leek. Eigen verantwoordelijkheid is niet aan de orde, want de economie gaat voor, ofwel we leven in een systeem. Helemaal eens overigens dat dat een verrot systeem is, dat ons verder weg brengt van een schone aarde dan ooit. Pak die grootvervuilers maar aan, zo hard mogelijk. En weg met de fossiele subsidie, met reclames voor rotzooi en eten waar je ziek van wordt. Maar dat wij in een systeem leven, is geen schaamlap voor ons eigen gedrag.

Met zulke vrienden van het milieu zijn er geen vijanden meer nodig. Het is domweg niet waar dat de schuld alleen bij bedrijven ligt. Die bedrijven maken wat wij kopen, vliegmaatschappijen bieden vakanties aan die wij willen, autofabrieken maken halve tanks (als aflaat elektrisch) omdat wij graag in grote auto’s rijden.

‘Do as I say, don’t do as I do’ werd ooit over televisiedominees gezongen. Natuurlijk, hoe je je geld besteedt, is inderdaad aan jouzelf. Je kunt goede redenen hebben om iets te doen of te kopen waarbij anderen hun wenkbrauwen fronsen. En dat hoef je heus niet altijd en aan iedereen uit te leggen.

Maar wanneer ik vrijdag demonstreer tegen de bio-industrie en op zaterdag kiloknaller voor op de barbecue koop, dan tast dat toch wel een beetje mijn geloofwaardigheid aan. En wanneer ik eerst een startbaan van Schiphol bezet en de week erop voor een weekendje naar Ibiza vlieg, dan heb ik misschien toch iets niet helemaal begrepen. Een beetje meer eigen verantwoordelijkheid graag.

Dit blog stond als opinieartikel in het Nederlands Dagblad van 21 augustus 2023.

Bank

Het noodlot heeft toegeslagen, in ieder geval op huiskamerniveau: er zit een scheur in de bekleding van de zitbank. Duct tape? opperde Echtgenoot weifelend. Aantrekkelijke gedachte maar nee, sommige oplossingen zijn erger dan het probleem. Niet dat de scheur het eerste is dat eraan mankeert. De bank is al een tijdje doorgezakt en er zitten vlekken op die zelfs met een hogedrukspuit niet meer te verwijderen zijn. Maar dat alles kon ik tot nu toe nog verdringen.

Nu er ook een naad uitscheurt, zit er echter niets anders meer op, we moeten op meubeljacht. En dat terwijl we ons dit voorjaar nog op een meubelboulevard hebben gewaagd omdat we een stoel nodig hadden die paste bij… deze bank.

Eerst maar eens digitaal zoeken. De eerste drie pagina’s van Google laten allemaal dezelfde meuk zien: beige, bruin, grijs en groot, heel groot. Alsof de gemiddelde Nederlander een landhuis heeft, mopperde ik tegen Echtgenoot. Waar laten ze die kolossen? En waarom zijn het allemaal van die eindeloos saaie dingen?

Ook prominent aanwezig in meubelland: verstelbare rugleuningen en voetensteunen. Ik wist dat het hard gaat met de vergrijzing, maar zo hard?

Dan zijn er ook nog de Kunstzinnige Meubelstukken, zoals uitzinnige fluwelen banken in felle kleuren met kwasten. Of prachtig strak gestileerde zitmeubelen, want een bank kun je zo’n zitjuweel niet meer noemen. Heel mooi voor in een museum en alleen om naar te kijken, want al vanaf grote afstand kun je zien dat ze voor geen meter zitten.

We doen gewoon nog een tijdje alsof we gek zijn, besluiten Echtgenoot en ik. Een scheur? Waar dan? O, daar… Ach nou ja. Vlekken? Ze geven niet meer af, en anders liggen er wel kussens. We kunnen er altijd nog een kleed overgooien, oppert Echtgenoot. Maar dat is tegen het zere been.

Kleden over banken geven me uitslag. Een kleed over de bank stamt uit de tijd dat er kinderen van twee meter rondliepen in ons huis, die er geen been in zagen al stoeiend op de bank te vallen zodat de poten eronder vandaan vielen. Kinderen die klodders mayonaise erin wreven en chips en broodkruimels tussen de kussens lieten verdwijnen, die er later beschimmeld en al weer uit gestofzuigd moesten worden.

Het was een leuke tijd maar hij is voorbij. En ik wil een nieuwe bank. Een mooie die goed zit. Kom op, dames en heren ontwerpers, zo moeilijk kan het toch niet zijn?

Barbie

Ik was zes jaar toen Barbie in mijn leven kwam. Dat gebeurde min of meer per ongeluk, als gevolg van een omissie van mijn vader.

Omdat ik dreigde krom te groeien, kreeg ik wat toen nog veelbelovend heilgymnastiek heette. Mijn vader zou mij ophalen uit het ziekenhuis waar de oefeningen plaatsvonden.

Maar op een keer was hij dat vergeten. Hoewel af en toe een bezorgde verpleegkundige kwam vragen ‘waar mijn vader bleef’, maakte ik me geen zorgen. Ik vermaakte me prima in de hal van het ziekenhuis, waar van alles en nog wat langskwam. Papa zou heus wel een keer komen.

Papa zelf vond echter dat hij wat goed te maken had en kocht een barbiepop, tot ontsteltenis van mijn moeder, die Barbie en alles waarvoor zij stond verafschuwde. Maar toen was het al te laat. Ik kwam in het bezit van een barbiepop met drie verwisselbare hoofden waar respectievelijk rood, blond en zwart haar zat opgenaaid. En met – zoals ik het jarenlang ben blijven noemen – knikkende knieën, waarmee Barbie een bevallige houding kon aannemen.

Ik taalde nooit naar poppen, spelen met blokken en auto’s, knutselen en buitenspelen was veel leuker. Maar deze pop was geen babypop. Barbie was een Dame, prachtig opgemaakt, met een bijpassende garderobe zoals een bruin mantelpakje met gouddraad erdoorheen, en natuurlijk hoge hakken. Zo’n dame wilde ik later ook worden!

Toegegeven, de puntborsten waren een beetje raar, maar daar viel mee te leven want die zag je alleen als ze een badpak droeg.

Verder dan deze fase ben ik nooit gekomen. Voor mij geen Barbie-parafernalia zoals roze huizen, auto’s en maneges, en al helemaal geen Ken. Toen ik een jaar of dertien was, verdween Barbie roemloos naar een doos met oud speelgoed. Geen idee wat ermee is gebeurd.

Het zou me niets verbazen als mijn moeder hem op een goed moment op een zacht vuurtje heeft omgesmolten tot een vormloos hoopje zacht plastic. Liever dat dan de pop weggeven aan een ander meisje, dat vervolgens een trauma zou kunnen oplopen van Barbies puntborsten en eindeloos lange slanke benen.

En nu is er een film van Barbie. Ik denk dat ik maar niet ga, want mijn moeder leeft nog.

House

Het is niet zo dat mijn gezondheid te wensen overlaat, maar ik ga tegenwoordig regelmatig naar de dokter. Naar dokter Gregory House, om precies te zijn. House is een ziekenhuisarts, gespeeld door Hugh Laurie, en is op dit moment te zien op Paramount.

Laurie is een oude bekende voor wie van Britse humor houdt. Te beginnen met Jeeves & Wooster. Bertram Wilberforce Wooster is een over het paard getilde Britse aristocratenzoon, een beetje zoals Boris Johnson. Met als grote verschil dat Bertie grappig is, en bediend wordt door butler Jeeves (Stephen Fry) die hem steeds weer uit de brand helpt. Ik spaar al een tijdje voor zo’n butler.

Voor wie nieuwsgierig is geworden: het makkelijkst is kijken op YouTube, nadat je je door een paar reclames hebt geworsteld, meestal over veel te duur kant-en-klaar eten dat je net zo goed zelf kunt klaarmaken, of een opleiding die je niet nodig hebt.

Blackadder
Er volgde nog veel meer, zoals rollen in de verrukkelijke series van Blackadder, die de hele Britse geschiedenis aanschouwelijk maken. Daarin speelt Laurie steevast zeldzaam optimistische en uitgesproken oppervlakkige mannen.

Nu is het grote verschil van voornoemde series met House dat de humor niet voor het oprapen ligt. Geen wonder, House is een Amerikaanse serie en Amerikanen hebben geen gevoel voor humor. House is als Britse acteur – hoewel hij het benodigde Amerikaanse accent moeiteloos blijkt te kunnen reproduceren – trouwens niet erg Amerikaans in zijn doen en laten. Hij is bot op het wrede af, houdt zich aan geen enkele fatsoensnorm, en liegt als het hem uitkomt.

Volgens hem liegen alle patiënten sowieso ook, en daarom is House behalve arts ook detective. Hij voert beide rollen uit met behulp van zijn team assistenten, dat zijn onbeschofte gedrag op de koop toeneemt: je leert nergens zoveel als bij House.

De enige reden dat House niet uit het chique ziekenhuis wordt geschopt, is dat hij ongelooflijk goed is. En dat bedoel ik letterlijk. Al is een patiënt halfdood of vertoont hij het ene na het andere onverklaarbare symptoom, House drukt uiteindelijk op het goede knopje en vindt de juiste behandeling. Ik ga er blind vanuit dat geen enkele zichzelf respecterende arts te werk gaat als House. Eerst een medicijn voorschrijven en pas daarna onderzoeken doen, dat mag vast niet van de zorgverzekeraar.

Medisch
En toch… klinisch redeneren leren medisch studenten mede van dr. House, las ik in Folia, het blad van de Universiteit van Amsterdam. En voor zover mijn klein beetje medisch verstand het kan volgen, kloppen de verhalen in dat opzicht vaak wel. Dat gegeven maakt House onweerstaanbaar.

Ondertussen volg ik de ene na de andere aflevering. House is een verademing in deze wereld vol voetangels en klemmen in het sociale verkeer, vanwege de overgevoeligheid van de teerhartige 21e-eeuwse Nederlander. Je onveilig voelen? Gegarandeerd. Onheus bejegend, geschoffeerd, behandeld als proefkonijn, onder druk gezet, afgeblaft? Zeker, maar je wordt ondertussen wel beter, of je carrière floreert. Misschien heeft oud-minister Wiersma nu de tijd om naar House te kijken. Kan hij nog wat van leren!

Profetisch

Het begon allemaal met een artikel in het Nederlands Dagblad. De auteur pleitte voor grote terughoudendheid op de kansel ten aanzien van politiek. Dat lijkt mij een gezond uitgangspunt. Ik likete daarom het stuk, dat ik op Twitter had gevonden.

De auteur kreeg echter tegengas. Spreken over politiek in de kerk moest juist wel, want anders zou je het alleen maar over de ziel hebben. Alles is immers politiek, al is politiek niet alles, citeerde de tegengasgever Harry Kuitert. Met zo’n argument sla je de discussie natuurlijk dood, maar dat gebeurt wel vaker op Twitter.
GPV
Zonder politiek op de kansel zou de profetische stem verstommen, was een ander argument. Nu heb ik in mijn jeugd veel van dat profetisch spreken vanaf de kansel meegemaakt. Meestal mondde dat uit in de drang vooral op ‘de juiste partij’ te stemmen, en dat was in mijn geval het toenmalig GPV. Het raambiljet werd bij de kerkdeur uitgereikt. Alleen halsstarrig weigeren hielp. Zouden de predikanten die in mijn jeugd het GPV als enige Gode welgevallige partij aanwezen, niet volkomen overtuigd zijn geweest dat ze zo hun profetische opdracht uitvoerden? Ongetwijfeld.

Maar dat is natuurlijk niet het profetisch spreken dat de Twitteraar voor ogen stond. Dat profetisch spreken gaat steevast over maatschappelijk onrecht, wat mij een versmalling lijkt maar dat is weer een andere discussie. Nu ben ik zelf ook erg tegen maatschappelijk onrecht. Maar in een overgeorganiseerd land als het onze is het niet altijd eenvoudig dat onrecht eenduidig aan te wijzen, laat staan er goede oplossingen voor te vinden. Alles grijpt immers in elkaar. Zelf de goede keuzes maken is vaak al moeilijk genoeg.

Valkuilen
Onrecht aanwijzen kent bovendien diepe valkuilen. De bestrijding van het ene onrecht is bijvoorbeeld populairder dan het andere. De woede over het Toeslagenschandaal ging pas echt vliegen toen bleek dat er ook racisme mee annex bleek. Achterstanden en ongelijkheid in de grote steden is heel erg, maar over achterstanden in de periferie maken de meeste mensen zich minder druk, getuige de aandacht in kranten en tv.
Er moest een megaoverwinning van BBB aan te pas komen om daar serieus naar te kijken.

En zo werd er onlangs wel tegen de abominabele opvang in Ter Apel gedemonstreerd (en terecht) maar niet tegen ellende die veilige-landers inwoners van Ter Apel aandoen. De meeste mensen wonen nu eenmaal niet in Ter Apel, en komen er ook nooit.

Negeren
Een andere valkuil is lastige vraagstukken negeren. Nederland heeft sinds de jaren vijftig (‘gaat u toch emigreren, het land is vol!’) nooit een fatsoenlijke bevolkingspolitiek is geformuleerd. Dat woord heeft sinds de jaren ’60 een naargeestig bruin tintje, en daarom laat de Nederlandse politiek dit onderwerp liever over aan (extreem-)rechts.

Dat is dom en kortzichtig. Nederland is een klein land en daarom lijkt mij de vraag hoeveel mensen er eigenlijk in dit land passen legitiem. Ik heb geen idee van het antwoord – ongetwijfeld spelen veel factoren een rol – maar dat deze vraag überhaupt niet wordt gesteld (behalve door partijen waarmee ik niet geassocieerd wens te worden) is een slecht teken.

Dat klemt te meer omdat het aantal asielzoekers dat nu in Europa en Nederland aankomt, nog maar een fractie is van wat komen gaat. Maar demonstreren voor humane opvang is makkelijker dan op een goede manier een gesprek te beginnen over bevolkingspolitiek. Jammer.

Politieke keuzes
De rampzalige politiek van de afgelopen twintig jaar is een belangrijke oorzaak van allerlei problemen in onze samenleving, ook problemen in de asielopvang. Het marktdenken vindt reserves geldverspilling, dus als er een jaar minder mensen asiel aanvragen zag menig minister dat als de ideale aanleiding het mes in de begroting te zetten. Resultaat: overbelaste ambtenaren bij het IND, te weinig opvangplekken, en slechts één aanmeldcentrum, aan de rand van Nederland. Lekker ver weg van Den Haag.

Daar komt de rampzalige volkshuisvestingspolitiek (of liever het ontbreken daarvan) overheen, met als dieptepunt reisjes van onder anderen toenmalig minister Stef Blok naar buitenlandse investeerders om onze goedkope huurhuizenvoorraad te slijten. Resultaat: een te kleine voorraad huurwoningen voor de laagstbetaalden, die niet zelden ook nog eens te duur, slecht geïsoleerd en slecht onderhouden zijn. En op die woningvoorraad doen ook mensen met een verblijfsvergunning een beroep. Als klap op de vuurpijl is er overal gebrek aan menskracht. De kans dat het IND erin slaagt meer mensen te vinden voor een snellere procedure is dus gering.

Profetenmantel
Ik krijg persoonlijk al twintig jaar hoge bloeddruk van deze politieke keuzes. Dat de huidige staatssecretaris van Asielzaken een VVD’er is, is dan ook een vorm van gerechtigheid. Maar eenvoudige oplossingen bestaan niet. Er is op dit moment te weinig menskracht en er zijn te weinig woningen. Op de vraag ‘kan de staatsecretaris garanderen dat er geen mensen buiten zullen slapen dit jaar…’ past dan ook maar één antwoord: nee, natuurlijk kan dat staatsecretaris dat niet. De staatsecretaris heeft geen glazen bol en geen toverstaf.

Samenvattend: Ik zeg niet dat profetisch spreken vanaf de kansel nooit kan, maar ik zou er wel heel voorzichtig mee zijn, zeker in deze gepolariseerde tijden. Voor je het weet drijf je je toehoorders uit elkaar, en dat niet op grond van het woord van God, maar op basis van je eigen vooroordelen, je gebrek aan aandacht voor wat zich buiten je bubbel afspeelt, of omdat de profetenmantel je wel erg comfortabel om de schouders is gaan hangen. Niets menselijks is ons vreemd, en ik vermoed ook dominees niet.

Fulltime

Ik ben weer thuis. Na een kraambezoek van 13 dagen in Thailand landde ik gisteravond op Schiphol. En ik was meteen ook in de geest weer in Nederland, dankzij de column van de onvolprezen Japke-D Bouma.

Haar column behandelde namelijk een oer-Hollands onderwerp: fulltime of parttime werken, en waarom (niet). Van Japke-D mogen we het helemaal zelf weten, en dat is natuurlijk fijn. Maar dan volgt een lijst met veertien uitspraken die Japke-D nooit meer van parttimers wil horen.
De keuze voor parttime en fulltime werken is al jarenlang een dankbaar onderwerp voor talkshows. Fulltime werken is de norm, wie parttime werkt, heeft wat uit te leggen. De overheid wijdde er zelfs een campagne aan.

Die campagne is overduidelijk ingegeven door arbeidskrapte en een economische-groei-obsessie, maar daarover schreef ik al eerder. In het kort: er zitten maar 24 uur in een dag en fulltime werken combineren met vrijwilligerswerk doen, mantelzorgen en nog veel meer, is voor menig mens niet te doen. Daarvoor waarschuwt trouwens ook het Sociaal Cultureel Planbureau.

Zo niet Japke-D. Zij verwijt de parttimers nogal wat. Er voor de kinderen willen zijn is geen reden voor parttime werk, oordeelt zij streng. Nou beste Japke-D, dat maak ik zelf wel uit. Er zijn genoeg kinderen die probleemloos opgroeien, maar er zijn ook voldoende uitzonderingen. En helaas kom je er niet altijd direct achter in welke categorie jouw kind valt. Vind ik nu dat iedereen die fulltime werkt zijn kinderen tekort doet? Nee hoor, helemaal niet. Maar laat mensen daar zelf over beslissen, als ze die keuze hebben.

Een goedverdienende partner is voor Japke-D ook geen reden voor parttime werk. Partner kan immers een jonge blom tegenkomen, onder de tram lopen of anderszins in het ongerede raken. Dat is helemaal waar, en jezelf ook alleen kunnen redden is inderdaad heel prettig. Maar je hele leven daarop inrichten, vind ik toch wel wat ver gaan.

Natuurlijk heeft niet iedereen (m/v/x) de luxe te kunnen kiezen tussen fulltime of parttime werk. Maar dat geldt voor zoveel in het leven. Twee keer per jaar naar het buitenland op vakantie gaan, om de drie jaar een nieuwe auto kopen of elke week buiten de deur eten, is ook niet voor iedereen weggelegd.

Full- en parttimers moeten het met elkaar zien te rooien op het werk. Daarom maak je werkafspraken, zonder oordeel over de voorkeuren van je collega’s. Japke-D vindt een fulltimebaan om meerdere redenen heerlijk, en dat is haar van harte gegund. En die eigen keuze geldt ook voor parttimers.

Ploeg

Altijd fijn: even het Groninger Museum binnenwippen. En met een Museumkaart maakt niet uit of ik er een half uur of een halve dag in rondloop.

Deze keer had ik maar een half uur en dus toog ik fluks naar de afdeling waar het werk van De Ploeg hangt. Heerlijke stroming is dat. De levensvreugde spat ervan af, en dat in een provincie die ik toch lang heb geassocieerd met grijze luchten boven eindeloze weilanden. De Ploeg heeft mij opnieuw laten kijken naar het platte land van Groningen. En ik ben gaan houden van dat landschap, inclusief de kleine dorpen, de majestueuze boerderijen en het uitgestrekte vlakke land.

De Ploeg hing er nog net zo bij als bij vorige bezoeken, zo leek het. Maar er was iets veranderd. Naast de gebruikelijke uitleg op roodbruine bordjes, hingen er nu ook donkergele, met als opschrift ‘Bitterzoet erfgoed’. Want we moesten vooral niet denken dat het allemaal pais en vree was geweest in Groningen en Ommelanden.

Iemand die maar een beetje geschiedenisonderwijs heeft gehad, weet dat natuurlijk al lang. De Gouden Eeuw was alleen van goud voor de rijke bovenlaag, en de VOC was een gesanctioneerd roversbolwerk met mogelijkheden waar neoliberalen van nu hun vingers bij aflikken.
Ik schat in dat het gemiddelde museumpubliek allang weet wat er is misgegaan in de vaderlandse geschiedenis. Maar het Groninger Museum neemt geen enkel risico. Ook de enkele tot nu toe onwetende passant moet op de hoogte worden gesteld, of er nu wel of geen direct verband bestaat tussen kunstwerk en boodschap.

En dus hangt naast het schilderij Kerkje te Oostum van Johan Dijkstra een bordje over de familie Niemeijer, fabrikanten en verkopers van koffie, chocola en tabak. Die producten werden geteeld op plantages waar slaven werkten. Of beter slaafgemaakten, want de gemiddelde Nederlander weet blijkbaar niet hoe gruwelijk slavernij was (en is), en dat mensen zichzelf niet uit vrije wil verkopen.

Verderop hangt nog meer Gronings erfgoed. Een gouden oorijzer dat het grootste deel van het hoofd bedekt en dat bij Groninger klederdracht hoort, bijvoorbeeld. Ik had hier eigenlijk ook wel een bordje verwacht. Met een tekst die uitlegt dat die boeren aan hun rijkdom kwamen door arbeiders uit te buiten. En wat geschiedenisles over de Veenkoloniën, met hun arbeiders die in modderhutten woonden, half onder de grond. En dat Groningen nog steeds een wingewest is, getuige het drama van de gaswinning.

En voordat het Groninger Museum in allerijl een bordje gaat maken met uitleg bij het oorijzer: laat maar. En haal al die andere bordjes ook maar weer weg. Ik kom naar een kunstmuseum om kunst te bekijken, niet om onderwezen te worden in de rechte leer.

Piano

Ik houd van muziek. Ik luister er niet alleen graag naar, ik heb het ook nodig. Als ik een tijdlang geen muziek hoor – liefst van Buxtehude, Reger, Purcell – dan gaat mijn geestelijk welbevinden langzaam achteruit.

Langzaam, want ik merk het niet meteen. Tot er een soort treurig waas over mijn leven gaat hangen. Dan weet ik het weer: muziek! Ik ben de muziek vergeten! Niet alle muziek helpt. Van Mozart en Beethoven bijvoorbeeld ben ik minder gecharmeerd. Voorkeur voor instrumenten heb ik wel, maar ik ben niet heel kieskeurig.

Er is echter één uitzondering op de regel: de piano. Ik weet niet wat het is, maar ik krijg de zenuwen van pianomuziek.
Ik vind het een burgerlijk instrument, ontworpen voor de eikenhouten huiskamer waarin een degelijk huisgezin in de avonduren rond de piano gaat staan en enige liederen ten gehore brengt. Vader achter de piano, moeder op de dwarsfluit, kindertjes zingen, dat werk.

Wat ook niet helpt is dat de piano wordt ingezet als emotieregulator. Let maar op, televisieprogramma’s blinken erin uit. Twee mensen zijn samen in gesprek over een gevoelig onderwerp, de een stokt, wrijft in de ogen of snikt zachtjes, de ander kijkt begripvol en zwijgt. Maar dat is tegen de televisieregels. Zwijgen mag niet, zwijgen is leegte. En daarom zet dan onmiddellijk de piano in, tingel-de-tingel, net zolang tot de een weer iets kan zeggen, al dan niet met een door tranen verstikte stem.

De piano is een kwezelinstrument. Geen wonder dat televisiemakers er zo dol op zijn.

Eerlijk is eerlijk, er is een uitzondering. Die heb ik ontdekt toen Echtgenoot en ik ooit een mistig café in Maastricht binnenliepen waar een paar jazzmusici speelden. Trompet, gitaar, slagwerk en zo wat meer. Er stond ook een piano maar die bleef onbespeeld. Tot een slungelige jonge man zich achteloos op de pianokruk liet zakken en bijna onverschillig begon te spelen. Adembenemend was het. “Piano is toch wel mooi, in ieder geval zó wel!” fluisterde ik geestdriftig tot Echtgenoot.

En dat was de uitzondering die de regel bevestigt.