Richting

Vroeger was het woord richting een prettig woord. Wie de juiste richting werd gewezen, wist welke kant hij op moest. Helaas, aan alles komt een eind en dus ook aan die heerlijk eenduidige betekenis van het woord richting. Richting heeft iets vaags gekregen.

Zelfs op het journaal hoor ik het regelmatig: “Het Tweede Kamerlid vroeg richting minister of …”
Hè? Richting? Het klinkt alsof het Kamerlid een vraag in de richting van de minister gooit in de hoop dat de minister de vraag opvangt. He, wat vervelend, de vraag valt vlak voor de katheder op de grond. Nu moet de minister afdalen om de vraag op te rapen.
Ik heb nu eenmaal een beeldend brein, ik kan het ook niet helpen.

Samen met richting is ook ‘naar iemand toe’ in de taal geslopen. “Ik ben altijd heel vriendelijk naar mensen toe,” hoorde ik laatst iemand zeggen. Of: “Heb je dat wel naar hem toe gecommuniceerd?”

Een klein taalkundig onderzoekje brengt aan het licht dat de juiste toepassing van voorzetsels ( je weet wel, alles wat je voor ‘huis’ kunt zetten) het probleem is.

Je vraagt iets AAN de minister; je zegt iets TEGEN iemand; je communiceert MET de achterban. In plaats van die moeilijke exercitie het juiste voorzetsel te vinden, kun je blijkbaar ook gewoon ‘richting’ of ‘naar iemand toe’ zeggen.

Lekker makkelijk. Maar wel fout…