Alpe d’Huzes

Vandaag beklimmen duizenden fietsers de Alpe d’Huez, creatief Alpe d’Huzes genoemd omdat de berg zesmaal bestegen moet worden. Doel: geld inzamelen voor kankeronderzoek.

Prima doel, niks mis mee. En toch kriebelt het.
De mensen die zich ervoor inzetten hebben allemaal een reden om dat te doen en die is strikt persoonlijk. De een heeft een familielid verloren aan kanker, de ander een vriend, een derde heeft het zelf (gehad). Het evenement is dus niet ingegeven door altruïsme.

Ook dat is op zich niet erg. Kanker treft veel mensen, ook in mijn omgeving, iedereen is blij met (geld voor) goede medicijnen tegen kanker.
Wat me wel stoort is het mechanisme dat erachter zit. Blijkbaar maken mensen zich pas druk om ziekte en andere ellende als ze er zelf mee in aanraking komen, pas dan wordt het belangrijk.

Tegelijkertijd kan ontwikkelingshulp op steeds minder bijval rekenen. Waarom is dat? Omdat Nederlanders niemand kennen die getroffen is door elefantiasis, lepra of rivierblindheid, niemand die is gestorven aan ondervoeding of malaria?

Daarom bestoken hulpverleningsorganisaties ons met foto’s. Als je dan niemand in je omgeving kent die blind is geworden door een infectieziekte die eenvoudig kon worden bestreden, dan moet je maar foto’s zien van zo iemand. Kun je zelf zien hoe erg het is.
Maar dat wapen is stomp geworden.

Ik begrijp best dat je niet alle ellende van de wereld op je schouders kunt nemen maar iets verder kijken dan je neus lang is, verbreedt je horizon aanzienlijk.
Fiets lekker door daar op de Alpe d’Huez, maar denk ook eens knokkelkoorts en ebola.